De configuratieve integratietheorie als Nederlandse voorloper van het meervoudigheidsdenken in governance
Wie bestuurt onder meervoudigheid, hoort vaak dat de kunst bestaat uit het verzoenen van perspectieven. Dat klopt niet. Van Dongen, De Laat en Maas ontwikkelden in hun configuratieve integratietheorie al in de jaren negentig van de vorige eeuw een scherper antwoord, al bleef hun denken epistemisch; het ging over betekenissen en definities. De latere ontologische wending bij Mol, Law en Latour, die zich onder het begrip performativiteit laat samenvatten, verlegt de meervoudigheid van definities naar werkelijkheden die in praktijken worden uitgevoerd. De configuratiebenadering staat tussen de systeemtheoretische geslotenheid en deze praktijkontologie in. Daar ligt, mits ze ontologisch wordt aangescherpt, een bruikbare conceptie van besturen en toezicht. Dit essay is het eerste van twee essays uit het wetenschappelijke Tijdschrift M&O.
Estimated reading time: 37 minuten
Het ongemak van de bestuurder
Stelt u zich een raad van toezicht voor van een middelgrote zorgorganisatie. De bestuurder licht een reorganisatieplan toe. Er gaan locaties dicht, de overhead krimpt, de zorg wordt geconcentreerd. Twee toezichthouders reageren heel verschillend. Degene die uit de financiële hoek afkomstig is, leest het plan als een continuïteitsvraagstuk: de marges staan onder druk, de meerjarenbegroting wankelt en zonder ingrijpen is er over drie jaar geen organisatie meer over. De oud-zorgbestuurder naast hem leest precies hetzelfde plan als een kwaliteitsvraagstuk. Het sluiten van locaties knipt zorgrelaties door die in jaren zijn opgebouwd, en wat op papier overhead heet, blijkt bij nader inzien het bindweefsel van de organisatie. De voorzitter doet wat voorzitters doen en zoekt een middenweg: ‘Laten we de helft van de locaties sluiten en de rest gefaseerd herzien.’
Daar stokt het gesprek. Beide toezichthouders voelen dat dit compromis niets oplost. Het is geen middenweg tussen twee meningen, maar de halvering van twee werkelijkheden die zich niet laten optellen. En dat is het punt. De twee toezichthouders zijn het niet oneens over de waardering van hetzelfde object, ze hebben een ander object voor ogen. Voor de een is de organisatie een samenstel van geldstromen, kostenplaatsen en risico’s; voor de ander is ze een weefsel van relaties, routines en vertrouwen.
Hetzelfde plan betekent in de ene werkelijkheid dus overleven en in de andere je ziel verkopen. De voorzitter reageert verzoenend en wil de perspectieven bij elkaar brengen, maar neemt daarmee aan dat er één situatie is waarover men het eens kan worden. In die aanname zit de fout.
Welke onderliggende kwestie wordt niet benoemd?
De onderliggende kwestie wordt in de bestuurskamer zelden hardop benoemd, maar is allesbepalend. Gaat het om verschillende visies op één werkelijkheid of om verschillende werkelijkheden? Dat lijkt filosofisch, maar de gevolgen zijn praktisch. Geloof je in het eerste, dan is besturen een zaak van informatie delen en toewerken naar het beste totaalbeeld. Geloof je in het tweede, dan biedt convergentie geen uitweg en bestaat besturen uit het hanteerbaar maken van een blijvende meervoudigheid.
In dit essay volg ik dat tweede antwoord, langs een omweg die dichter bij huis ligt dan men zou denken. Ruim voordat de internationale organisatiekunde haar ontologische wending nam, had een Nederlandse stroming – de Rotterdamse School rond Henk van Dongen – al een denkwijze ontwikkeld waarin verschil het uitgangspunt vormt in plaats van het probleem. Ik laat zien wat die traditie te bieden heeft, waar ze bleef steken, en hoe ze samen met het recente ontologische denken een eigentijdse kijk op besturen onder meervoudigheid oplevert. Dat het hier om meer gaat dan oude wijn in nieuwe zakken, werk ik onderweg uit.
Verantwoording: aard en reikwijdte van het betoog
Even iets over de aard van deze bijdrage: het betoog is conceptueel-integratief bedoeld, wat wil zeggen dat het twee tradities samenbrengt die zelden in elkaars verlengde worden gelezen. Daarbij doel ik op de Nederlandse configuratieve integratietheorie en de internationale ontologische wending. Deze toetst ik aan elkaar om een derde positie te ontwikkelen. De inzet is dus theoretisch en niet empirisch; ik presenteer geen nieuwe data over besturen, maar kom tot een nieuwe ordening van bestaand denken, met als toetssteen of die ordening verschijnselen begrijpelijk maakt die in de afzonderlijke tradities onderbelicht blijven (zoals het falen van het verzoenende compromis in de bestuurskamer).
Wat is de ontologische wending?
Onder de ontologische wending verstaan we de verschuiving in de sociale wetenschappen van de vraag hoe we de werkelijkheid kennen (epistemologie) naar de vraag wat de werkelijkheid zelf is (ontologie), met bijzondere aandacht voor de meervoudigheid en vluchtigheid van wat als ‘werkelijk’ wordt beschouwd. De werkwijze is die van close reading van kernteksten, gecombineerd met een doorlopend praktijkvignet. Dat vignet, de raad van toezicht van een zorgorganisatie, is geen casus in de empirische zin, maar is bedoeld als gedachte-experiment. Het is een geconstrueerde en herkenbare situatie die abstracte begrippen concreet maakt en laat zien waar theorie en praktijk met elkaar in conflict komen. Aan de hand van een korte casus over een gemeentelijke herindeling bekijk ik of de redenering ook buiten de zorg standhoudt.
Onder de ontologische wending verstaan we de verschuiving in de sociale wetenschappen van de vraag hoe we de werkelijkheid kennen (epistemologie) naar de vraag wat de werkelijkheid zelf is (ontologie), met bijzondere aandacht voor de meervoudigheid en vluchtigheid van wat als ‘werkelijk’ wordt beschouw
Belangrijke aantekening is dat deze bijdrage een voorstel en geen bewijs betreft. Of de bepleite ontologische aanscherping van de configuratiebenadering houdbaar en vruchtbaar is, moet empirisch onderzoek uitwijzen, en ik schets daarvoor een agenda aan het eind van dit essay. Ten tweede is de bronselectie partieel. Het betoog leunt sterk op enkele sleutelteksten van Van Dongen, De Laat en Maas, van In ’t Veld en van Mol, Law en Latour, waarmee ik geen recht doe aan de volle breedte van elke traditie. Die toespitsing is echter bewust gekozen: een scherpe argumentatie op basis van enkele pijlers acht ik hier nuttiger dan een volledig, maar bloedeloos overzicht.
De Rotterdamse School: verschil als uitgangspunt
In 1996 verscheen Een kwestie van verschil van Henk van Dongen, Willem de Laat en Alexander Maas, alle drie verbonden aan de Vakgroep Organisatiewetenschappen van de Erasmus Universiteit Rotterdam. De ondertitel verraadt de inzet: conflicthantering en onderhandeling in een configuratieve integratietheorie. Van Dongen e.a. stellen dat organisaties volgens de configuratieve integratietheorie bestaan uit actoren met onderling verschillende belangen en oriëntaties en dat organiseren in feite neerkomt op het voortdurend onderhandelen over en integreren van die verschillen.
Het gangbare organisatiedenken behandelt conflict en verschil als stoornissen die met consensus moeten worden opgeheven; de auteurs draaien dat om. Volgens hen ligt het probleem niet bij het verschil zelf, maar bij de aanname van homogeniteit. Wie veronderstelt dat onder de oppervlakte een gedeelde werkelijkheid wacht om te worden blootgelegd, ziet elk hardnekkig verschil als een afwijking, als een kwestie van te weinig informatie of te weinig goede wil. Wie verschil echter als grondgegeven aanvaardt, beschikt over een heel ander repertoire.
Wat is het het sociaal constructionisme?
Hun theorie plaatsen ze in de lijn van het sociaal constructionisme. Gergen beschrijft het sociaal constructionisme als de opvatting dat kennis, betekenis en werkelijkheid niet objectief gegeven zijn, maar worden geconstrueerd in en door sociale interactie en taal. Van Dongen vertaalde Weick naar de Nederlandse veranderkunde en bouwde voort op Watzlawick en op Berger en Luckmann. Bij dat label past wel een kanttekening, want Weick is hooguit in ruime zin een constructionist. Zijn nadruk op cognitie, op mentale kaarten en op het reduceren van meerduidigheid plaatst hem eerder in de constructivistische, procesmatige hoek, en zijn wortels liggen net zo goed in het pragmatisme en de evolutionaire epistemologie als in de kennissociologie.
Voor het betoog telt die nuance minder dan wat de auteurs en hun bronnen delen: mensen zoeken niet de werkelijkheid, maar brengen werkelijkheden voort in hun onderlinge omgang. Betekenisgeving is dan sociaal, actief en vaak achteraf; in gesprek onderhandelen mensen over wat er gebeurt, wat het betekent en wat eruit volgt. Het resultaat heet bij de auteurs een sociaal-cognitieve configuratie ofwel een netwerk waarin men niet alleen betekenissen deelt, maar ook regels ontwikkelt over wie erbij hoort, wie gezag krijgt en hoe men met buitenstaanders omgaat.
De linguistic turn
Achter dat uitgangspunt staat een bredere filosofische beweging, die sinds Rorty bekendstaat als de linguistic turn: de gedachte dat we de wereld niet rechtstreeks kennen, maar altijd door de taal heen. Zo is taal geen doorgeefluik van een kant-en-klare werkelijkheid, maar bepaalt mede wat er voor ons aan werkelijkheid verschijnt. Bij Wittgenstein krijgt dat later zijn scherpste vorm: betekenis is geen afbeelding maar gebruik, en woorden krijgen hun zin binnen taalspelen die in een praktijk zijn ingebed. Diezelfde lijn loopt door naar Austin, bij wie taal niet alleen beschrijft maar ook handelt, en levert daarmee de filosofische grond onder zowel het werk van de Rotterdamse School als de performativiteit (zie hierna).
Het contrast met Chomsky maakt duidelijk wat hier op het spel staat. Waar de lijn Wittgenstein-Austin betekenis in het gebruik en de praktijk situeert, zoekt Chomsky onder alle talige variatie juist een universele, aangeboren grammatica: het diepe systeem dat de oppervlakteverschillen voortbrengt. Dat is, op het niveau van de taal zelf, de homogeniteitsvooronderstelling in optima forma, de aanname dat onder de veelheid één gedeelde structuur ligt. De Rotterdamse School beweegt precies de andere kant op en zoekt niet de eenheid onder de variatie, maar de werkelijkheid in de variatie van gebruik en praktijk. Chomsky figureert hier dus niet als bondgenoot, maar als verhelderend tegenbeeld dat laat zien hoe diep de keuze tegen homogeniteit reikt.
Twee soorten systemeendenken
Naast die talige stamboom heeft de Rotterdamse School een systeemtheoretische, en die is voor het vervolg minstens zo belangrijk. Het loont om twee soorten systeemdenken uit elkaar te houden. Het klassieke, eerste-orde-systeemdenken – met de algemene systeemtheorie van Von Bertalanffy en in de organisatiekunde de opensysteembenadering – ziet de organisatie als een entiteit met grenzen, met inputs en outputs, en met een evenwicht dat verstoord en hersteld kan worden. Dat denken brengt de homogeniteitsvooronderstelling als vanzelf mee, met één systeem, één werkelijkheid en één gewenste toestand waar de besturing naartoe werkt.
Het tweede-orde- of cybernetische systeemdenken breekt daarmee. Bij Von Foerster – grondlegger van de zogenoemde tweede-orde-cybernetica – is de kerngedachte dat een waarnemer nooit buiten het systeem kan staan dat hij bestudeert. Wie een organisatie, gesprek of sociaal proces beschrijft, is daar onvermijdelijk zelf onderdeel van; de observatie beïnvloedt daarmee altijd het geobserveerde. Dit staat haaks op het klassieke wetenschapsideaal van de neutrale, objectieve onderzoeker die van buitenaf beschrijft wat er ‘echt’ gebeurt. Bateson voegt daaraan toe dat betekenis niet in dingen zit, maar ontstaat in relaties en verschillen. Informatie is voor hem dus ‘a difference that makes a difference’. Wat iets betekent, hangt dus altijd af van de context en van wie ernaar kijkt; er is geen betekenis zonder een waarnemer die onderscheid maakt.
Hoe wordt systeemdenken uitgewerkt in de communicatieleer?
De groep rond Watzlawick, bekend van de Palo Alto School, werkt dit uit in de communicatieleer. Zij laten zien dat menselijke communicatie niet lineair verloopt – A zegt iets, B reageert, klaar – maar circulair, waarbij elke reactie zelf weer een boodschap wordt die de volgende reactie beïnvloedt. Oorzaak en gevolg zijn daarmee niet meer te scheiden. Bovendien is communicatie zelfreferentieel: mensen communiceren niet alleen over de wereld, maar ook voortdurend over hun onderlinge relatie en over de communicatie zelf.
In welk kamp zit de Rotterdamse school?
De Rotterdamse School bevindt zich onmiskenbaar in dat tweede kamp. Weicks enactment is door en door cybernetisch, want de organisatie brengt de omgeving voort waarop ze reageert; Watzlawick komt rechtstreeks uit Batesons traditie van circulaire communicatie; en de sociaal-cognitieve configuratie is in feite een tweede-orde-begrip waarin het verschil tussen waarnemer en waargenomene niet vastligt, maar in de interactie ontstaat. Dat verklaart ook waarom de stap naar de autopoësetheorie (zie hierna) zo klein is. Die theorie is de meest radicale uitwerking van datzelfde tweedeorde-denken. Zulke configuraties hebben de neiging zich te sluiten. Wie vooral optrekt met mensen die de werkelijkheid op dezelfde manier zien, merkt dat de groep vanbinnen steeds eenvormiger wordt, terwijl de grenzen naar buiten toe verharden.
Afwijkende betekenissen en partijen vallen buiten de boot; men zoekt bevestiging en raakt, zoals de auteurs het noemen, verslaafd aan de herhaling van zetten. Het eindpunt van dat proces heet fixatie, waarbij betekenissen en regels zo vanzelfsprekend zijn geworden dat reflectie erop niet meer lukt. Fixatie is overigens niet zonder meer slecht. Betekenissen tijdelijk vastzetten is een voorwaarde voor gezamenlijk handelen, want zonder enige stabiliteit valt er niets te besturen. Het wordt pas een probleem wanneer de fixatie zo volledig is dat het verschil verdwijnt en de configuratie geen variëteit meer toelaat.
Waarom is deconstructie de tegenhanger van fixatie?
De tegenhanger van fixatie is deconstructie, waarbij werkelijkheidsdefinities die voor waar doorgaan, maar niet meer helpen, opnieuw ter discussie worden gesteld, zodat er ruimte komt voor nieuwe betekenissen. (Latere, afgeleide literatuur spreekt hier van defixatie, maar deconstructie doet meer recht aan de bronnen.) Het interventierepertoire draait om twee bewegingen: dyadiseren en triadiseren.
Dyadiseren slaat een situatie plat tot twee tegenover elkaar staande partijen of betekenissen, zoals de voorzitter doet wanneer hij het midden zoekt tussen finance en kwaliteit. Triadiseren werkt de andere kant op en voegt een derde persoon of betekenis toe, waardoor de situatie wordt opengelegd in plaats van teruggebracht. Het verschil hoeft niet te verdwijnen, maar moet functioneel worden, waarbij een conflict waarin partijen herhaaldelijk vastlopen, verandert in een conflict waarin het verschil iets oplevert.
Halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw had de Rotterdamse School zo een verfijnd meervoudigheidsdenken in handen. Een organisatie is in deze optiek geen ding met één ware aard, maar een tijdelijke koppeling van uiteenlopende werkelijkheids definities. Besturen en adviseren draaien dan niet om het opleggen van de juiste definitie, maar om het voorkomen dat de configuratie dichtslaat. Toch bleef dit denken op één punt steken en dat vormt het scharnierpunt van mijn betoog. De meervoudigheid waarover het hier gaat, is er een van betekenissen, dus van de uiteenlopende manieren waarop mensen de werkelijkheid definiëren. De vraag of onder die definities ook echt meerdere werkelijkheden schuilgaan, komt niet aan de orde. Dit is epistemische meervoudigheid, geen ontologische. Voordat ik die stap zet, bespreek ik eerst de opschaling die de traditie zelf al maakte: van de organisatie naar de samenleving en van advies naar sturing.
Opschaling naar besturen: de configuratiebenadering en In ’t Veld
Dezelfde denklijn kreeg eind jaren tachtig een bestuurskundig vervolg. In 1991 verscheen de bundel Autopoiesis and configuration theory: new approaches to societal steering, onder redactie van Roel In ’t Veld, met Schaap, Termeer en Van Twist. De inzet verschoof van de adviespraktijk naar een klassieke vraag van de bestuurskunde: kan de overheid de samenleving doelgericht sturen? De bundel verbond twee stromingen die elkaar tot dan toe amper raakten. De een was de configuratiebenadering, waarvan de kern, zoals de bundel zelf erkent, bij Van Dongens theorie van sociale integratie ligt. De andere was de autopoësetheorie van Maturana en Varela, door Luhmann uitgebouwd tot een sociologische systeemtheorie en door Teubner en Morgan toegepast in recht en organisatiekunde.
Van origine stelt de autopoësetheorie van Maturana en Varela dat levende systemen en bij uitbreiding sociale systemen (zoals organisaties) zichzelf voortdurend reproduceren en in stand houden door eigen componenten te genereren, waarbij zij operationeel gesloten zijn voor hun omgeving maar tegelijkertijd structureel aan die omgeving gekoppeld blijven.
Waarom is de spanning tussen configuratiebenadering en de autopoësetheorie nodig?
De spanning tussen die twee is vruchtbaar. Volgens de autopoësetheorie zijn sociale systemen operationeel gesloten en zelfreferentieel: ze verwerken hun omgeving alleen volgens de eigen onderscheidingen en reproduceren zichzelf van binnenuit. De conclusie die In ’t Veld daaruit trekt, is ontnuchterend en heet bij hem het onmogelijkheidstheorema, waarbij een zichzelf producerend systeem zich niet rechtstreeks laat sturen. Wie van buitenaf ingrijpt, levert op zijn best een prikkel die het systeem naar eigen inzicht verwerkt of gewoon negeert. Voor de liefhebber van maakbaarheid is dat een hard gelag.
In ’t Veld capituleert niet, maar herijkt met wat hij een dynamische sturingstheorie noemt. Is directe sturing onmogelijk, dan resteert indirecte, bescheiden sturing. Niet het systeem wordt gestuurd, maar de configuraties waarin actoren hun werkelijkheidsdefinities aan elkaar verbinden. De bestuurder schept condities, brengt partijen in nieuwe constellaties, schuift er een derde betekenis tussen en wacht af of zich nieuwe koppelingen aandienen. Op macroniveau is dat hetzelfde gebaar als het triadiseren uit de configuratieve integratietheorie. Sturen wordt daarbij coördinatiewerk: niet het opleggen van één werkelijkheid, maar het hanteerbaar houden van een veelheid die niet verdwijnt.
Wat betekent de opschaling van het meervoudigheidsdenken?
De opschaling laat zien dat het meervoudigheidsdenken van de Rotterdamse School van begin af aan een besturingskant had. Hoe je met verschil omgaat, is niet alleen een vraag voor de adviseur aan de keukentafel van de organisatie, maar net zo goed voor de toezichthouder, de bestuurder en de beleidsmaker. De paradox die In ’t Veld formuleert – dat je zelfproducerende sociale werkelijkheden niet rechtstreeks regeert, maar alleen hun configuraties kunt beroeren – is in feite een vraagstuk van governance onder meervoudigheid avant la lettre.
In de opschaling schuilt bovendien een onopgeloste spanning die ik hierna uitwerk. De autopoësetheorie neigt naar geslotenheid en eenheid, naar één systeem dat zijn eigen grenzen reproduceert. De configuratiebenadering gaat meer uit van openheid en veelheid, naar meerdere definities die tijdelijk samenkomen. Die twee bewegingen verdragen elkaar slecht, en in die wrijving heeft het recente ontologische denken iets toe te voegen.
De ontologische wending: van definities naar werkelijkheden
In de internationale organisatie- en wetenschapsstudies heeft zich de laatste twee decennia een verschuiving voltrokken die de ontologische wending is gaan heten. Annemarie Mol schrijft erover in In the body multiple (2002), waarbij zij volgt hoe een ziekenhuis omgaat met één aandoening (atherosclerose). Haar bevindingen zijn verstrekkend: volgens Mol is het niet zo dat artsen, laboranten en patiënten elk een ander perspectief op dezelfde ziekte hebben. De ziekte zelf is anders in de spreekkamer (waar ze bestaat uit pijn bij het lopen), dan in het laboratorium (waar ze een dichtgeslibd vat onder de microscoop is) en weer een andere op de operatietafel. In elke praktijk wordt de ziekte op een eigen manier ‘gedaan’, in Mols woorden enacted. Werkelijkheid gaat dan niet vooraf aan onze omgang ermee, maar wordt in die praktijken uitgevoerd. En ontologie verandert van een zelfstandig naamwoord in een werkwoord.
Dat de ziekte daardoor niet uiteenvalt in een wirwar van losse versies, komt doordat de uitvoeringen op elkaar worden betrokken. Mol laat zien hoe praktijken hun realiteiten coördineren, verdelen en insluiten: hoe het laboratoriumbeeld en de klacht van de patiënt samenkomen in een diagnose, hoe het werk zo wordt verdeeld dat de versies elkaar niet tegen hoeven te spreken, en hoe nu eens de ene en dan weer de andere uitvoering de doorslag geeft. De eenheid van de ziekte is geen vertrekpunt, maar een wankele prestatie.
John Law trekt die gedachte door naar de methode. In After method (2004) stelt hij dat onze methoden de werkelijkheid niet neutraal beschrijven, maar haar mede voortbrengen. Met andere woorden: method assembles. Met zijn modes of ordering laat hij zien dat een organisatie niet één ordening kent, maar verschillende, naast en door elkaar, die elk hun eigen werkelijkheid uitvoeren.
De organisatie als netwerk
Mol en Law staan in een bredere materieel-semiotische traditie, waarvan Bruno Latours actor-netwerktheorie de bekendste telg is. Latour leert ons het sociale niet te zien als een vaste achtergrond waartegen het handelen zich afspeelt, maar als iets dat telkens opnieuw uit ongelijksoortige elementen moet worden samengesteld. Dus uit mensen en dingen, documenten en procedures, lichamen en machines. Wat wij de organisatie noemen, is dan geen entiteit, maar een netwerk dat, zolang het standhoudt, actief bijeen wordt gehouden. Voor de bestuurder is dat tegelijkertijd ongemakkelijk en bevrijdend. De organisatie die hij meent te besturen, bestaat alleen voor zover talloze verbindingen – van spreadsheets en roosters tot overdrachten en vergaderingen – haar van moment tot moment opnieuw maken. Sturen grijpt dan niet in op één ding, maar gebeurt in een web.
Wat Mol, Law en Latour delen, vat ik samen als performativiteit. Die term komt van de taalfilosoof Austin, die ik eerder als erfgenaam van de linguistic turn opvoerde en die opmerkte dat sommige uitspraken niets beschrijven, maar iets doen. Wie ‘Ik beloof’ of ‘Bij dezen verklaar ik’ zegt, meldt geen feit, maar brengt iets tot stand. In de wetenschaps- en organisatiestudies is dat inzicht verbreed van losse uitspraken naar hele praktijken, instrumenten en theorieën. Daarmee wordt performativiteit de gemene deler onder enactment, method assembles en het samenstellen van het sociale. Beschrijven, meten en handelen brengen mede voort wat ze heten weer te geven. Twee toepassingen ervan raken zo direct aan het gereedschap van de bestuurder, dat ik er apart bij stilsta.
Wat is de rol van economische sociologie?
De eerste komt uit de economische sociologie. Callon keerde de gewone verhouding tussen economie en economische wetenschap om. De markt gaat volgens hem niet vooraf aan de theorie die haar beschrijft; ze wordt door die theorie, en door het rekentuig dat de theorie meebrengt, mede gevormd. MacKenzie vatte dat in een raak beeld: een economisch model is ‘an engine, not a camera’. Het fotografeert de markt niet, maar drijft haar aan. In zijn geschiedenis van het optieprijsmodel van Black, Scholes en Merton zien we hoe een formule de markt veranderde naarmate handelaren haar gebruikten, totdat de prijzen er steeds beter bij pasten. Het model maakte op die manier zijn eigen wereld waar.
MacKenzie noemt dat de sterke, zelfbevestigende vorm van performativiteit, met als keerzijde de counterperformativiteit, waarbij het brede gebruik van een model de eigen aannamen juist onderuithaalt. Voor een bestuurder is dit allesbehalve abstract. Kengetallen, risicomodellen, rendementsnormen en verslaggevingsregels meten de organisatie niet alleen, maar bepalen mede wat erin als waarde, risico of prestatie telt, en ze sturen het gedrag dat ze zouden moeten registreren. Wie dus een dashboard kiest, kiest een stuk werkelijkheid.
Het agentieel realism
Karen Barad gaat nog verder. Haar agentieel realisme, geënt op Niels Bohrs quantumfysica, verlegt het vertrekpunt van losse dingen naar wat zij intra-acties noemt: dingen bestaan niet vóór hun betrekkingen, maar ontstaan erin. Wat een object is en wat een waarnemer, staat niet op voorhand vast, maar wordt bepaald door de agentiële snede ofwel agential cut die een meetopstelling voltrekt en die de ene bepaling mogelijk maakt ten koste van een andere.
Werkelijkheid ontstaat zo in materieel-discursieve praktijken, waarin het meten deel uitmaakt van wat gemeten wordt. De gevolgtrekking is ongemakkelijk en vruchtbaar tegelijk: de waarnemer staat nooit buiten het systeem dat hij beschrijft en is dus medeverantwoordelijk voor de sneden die hij aanbrengt. In de bestuurskamer betekent dat: een raad kijkt niet van buitenaf naar zijn organisatie, maar maakt deel uit van de opstelling die bepaalt waar de organisatie ophoudt en de omgeving begint, wat meetelt en wat buiten beeld valt. Zo’n snede aanbrengen is zelf een bestuurlijke daad, en daarop is men aanspreekbaar.
Het procesdenken voegt daar de tijd aan toe. De organisatiekunde gaat van oudsher uit van stabiele entiteiten die af en toe veranderen, maar Tsoukas en Chia (2002) keren dat om. Verandering is bij hen de normale toestand, en stabiliteit is de uitzondering die om verklaring vraagt. De organisatie is geen ding dat soms in beweging komt, maar een doorgaande stroom van organiseren die we gemakshalve als ding benoemen. Langley en collega’s hebben die procesgevoeligheid tot een heel onderzoeksprogramma uitgebouwd.
Wat telt voor dit betoog?
Voor mijn betoog telt vooral dit: als werkelijkheid niet alleen meervoudig is, maar ook steeds in wording, dan is elke fixatie, elk besluit, elke strategie, elk jaarverslag een tijdelijke stolling in een stroom die alweer voortgegaan is. Dat ligt dicht bij wat de Rotterdamse School met fixatie en deconstructie bedoelde, maar het gaat een stap verder, want het stollen betreft nu niet alleen betekenissen, maar het zijn zelf.
Men zou dit kunnen afdoen als een herhaling van wat de Rotterdamse School al stelde. De overeenkomsten zijn er ook: beide wijzen de homogeniteitsvooronderstelling af, beide zien werkelijkheid als meervoudig, beide maken van die meervoudigheid iets productiefs. Toch ligt er een beslissend verschil, en dat verschil is de kern van dit essay. Bij Van Dongen, De Laat en Maas is de meervoudigheid epistemisch: het gaat om meerdere definities van (of betekenissen toegekend aan) één werkelijkheid, met taal, cognitie en betekenisgeving als middelpunt. Bij Mol, Law en Latour is de meervoudigheid ontologisch: er zijn meerdere werkelijkheden, uitgevoerd in materiële praktijken.
Wat verschilt, is dus niet de interpretatie, maar het bestaande zelf. Het is veelzeggend dat één woord die drempel markeert: enactment. Bij Weick, en daarmee bij de Rotterdamse School, is enactment cognitief en gedragsmatig. Door te handelen en daar achteraf betekenis aan te geven, brengen mensen de omgeving voort waarop ze vervolgens reageren. Bij Mol is enactment materieel en praktisch: in de verrichtingen van laboratorium en spreekkamer wordt de ziekte zelf uitgevoerd. Hetzelfde woord schuift op van het uitvoeren van betekenissen naar het uitvoeren van werkelijkheden, en in die verschuiving ligt de stap die dit essay bepleit.
Hoe wordt het verschil tastbaar gemaakt?
In onze raad van toezicht wordt dat verschil tastbaar. Lees je het epistemisch, dan hebben de twee toezichthouders uiteenlopende beelden van dezelfde organisatie en is het de kunst die beelden te verbinden. Lees je het ontologisch, dan is de organisatie eigenlijk twee dingen. In de praktijk van de financiële functie, spreadsheets, kwartaalrapportages en bankconvenanten wordt ze uitgevoerd als een samenstel van geldstromen; in de praktijk van zorgteams, overdrachten, dossiers en dagelijkse routines wordt ze even reëel uitgevoerd als een weefsel van relaties. Dat zijn geen percepties, maar uitvoeringen, elk met een eigen materialiteit. Het compromis van de voorzitter loopt daarbij niet stuk op een verkeerde balans, maar op de poging twee uitvoeringen te middelen alsof het meningen zijn.
Die stap, van definities naar werkelijkheden, is wat de governance tegenwoordig nodig heeft en waar de Nederlandse traditie net niet in voorzag. Hoe dicht ze erbij kwam, blijkt uit het latere werk van Alexander Maas, die schrijft over de vloeiende werkelijkheid die we met taal inperken. Het is een procesgevoelige, bijna ontologische intuïtie, maar ze blijft hangen in taal en denken. Bij Maas is het de taal die de stroom opdeelt; het zijn hierbij niet de praktijken die werkelijkheden voortbrengen. De drempel naar het materiële enactment komt daarmee in zicht, maar Maas stapt er niet overheen.
De ontbrekende schakel
Daarmee zijn we bij de kern aanbeland. Ik stel voor om de configuratiebenadering te lezen als de ontbrekende schakel tussen twee posities die anders onverenigbaar blijven: de systeemtheoretische geslotenheid van de autopoësetheorie en de praktijk-ontologische openheid van Mol en Law. Langs de as uit de derde paragraaf is dat ook een beweging in het systeemdenken zelf. Het eerste-orde-denken zag één systeem met één evenwicht. Het tweede-orde-denken maakte de waarnemer deel van het systeem en de werkelijkheid zelfreferentieel. De ontologische wending laat het ene systeem helemaal los ten gunste van meerdere werkelijkheden. De configuratiebenadering bevindt zich tussen die laatste twee in: ze deelt het tweede-orde-uitgangspunt dat werkelijkheid in interactie wordt voortgebracht, maar opent dat naar de veelheid in plaats van het op te sluiten in een zichzelf reproducerend systeem.
Neem de twee uitersten. De autopoësetheorie denkt in eenheid en geslotenheid: een systeem reproduceert eigen onderscheidingen en kent strikt genomen maar één werkelijkheid, de zijne. Mols praktijkontologie denkt in veelheid en openheid: er zijn zoveel werkelijkheden als er praktijken zijn die ze uitvoeren, en hun samenhang is nooit vanzelfsprekend. De eerste positie sluit meervoudigheid uit, de tweede laat de samenhang als vraagstuk liggen. Want als coördinatie telkens opnieuw moet worden geleverd, hoe houdt een organisatie dan stand?
Wat is een sociaal-cognitieve configuratie?
Hier bemiddelt de configuratiebenadering. Een sociaal-cognitieve configuratie is een tijdelijke koppeling van uiteenlopende werkelijkheidsdefinities die niet versmelten tot één systeemlogica en evenmin uiteenvallen in losse varianten. De configuratie is het mechanisme dat meervoudigheid vasthoudt zonder haar op te heffen. Fixatie en deconstructie leveren de dynamiek: fixatie is de tijdelijke stolling die handelen mogelijk maakt, de tegenhanger van Mols’ coördinatie, terwijl deconstructie die stolling weer openbreekt zodra ze verstart. Met triadiseren kan een dichtgeslibte, dyadische configuratie weer in beweging komen.
Waar Mol vooral beschrijft dat werkelijkheden worden gecoördineerd, biedt de configuratiebenadering een theorie van hoe dat gebeurt, en van hoe het kan vastlopen en weer kan worden vlotgetrokken. Sturen is in deze synthese het koppelen, vasthouden en weer openen van meervoudige werkelijkheden.
Op één punt moet de schakel wel worden bijgesteld, en daar zit mijn eigenlijke bijdrage. De configuratiebenadering beschrijft het koppelen van werkelijkheidsdefinities als een cognitief-talige operatie. Om de ontologische wending echt in zich op te nemen, moet ze over het koppelen van werkelijkheidsuitvoeringen gaan denken. Dus niet alleen betekenissen die mensen in gesprek met elkaar verbinden, maar materiële praktijken die elkaar in een organisatie veronderstellen, hinderen of versterken.
De spreadsheet en de overdracht zijn geen twee meningen die op elkaar moeten worden afgestemd. Het zijn uitvoeringen die in dezelfde organisatie parallel lopen en elkaar op gezette momenten raken, bijvoorbeeld bij een reorganisatiebesluit, begroting of incident. Dit te theoretiseren, is de opgave voor een ontologisch aangescherpte configuratiebenadering, die de configuratie niet langer als gespreksnetwerk opvat, maar als de plek waar uiteenlopende praktijken hun werkelijkheden tijdelijk op elkaar betrekken.
Fixatie en triadisering als performatieve operaties
Zo bezien zijn fixatie en triadisering performatieve operaties: ze beschrijven de configuratie niet alleen, maar voeren haar ook uit. Fixatie is dan een agentiële snede, het tijdelijk vastleggen van wat als de organisatie en haar relevante omgeving zal gelden. In dat licht is de Rotterdamse School geen voorloper die door Mol is ingehaald, maar een traditie die meer te bieden heeft dan tot nu toe is benut. Ze beschikte over een verfijnd begrip van beweging, van sluiting en fixatie tot deconstructie, dyadiseren en triadiseren. Juist dat ontbreekt in het ontologische denken, waar het coördinatiewerk wel wordt benoemd, maar zelden wordt uitgewerkt tot een theorie over hoe dat werk in de praktijk gebeurt. Anderzijds geeft het ontologische denken de Rotterdamse School wat zij miste: het besef dat verschil niet alleen om betekenissen draait, maar om werkelijkheden met een eigen materialiteit en hardnekkigheid. De winst gaat dus in beide richtingen.
Meer dan oude wijn in nieuwe zakken? Vier tegenwerpingen
Een betoog dat een oudere traditie ophemelt, roept de vraag op of het wel iets nieuws brengt. Er zijn vier tegenwerpingen te bedenken. Ten eerste: is dit niet gewoon constructionisme in een nieuw jasje? Nee, en het verschil is meer dan een woordenspel. Het ziet de werkelijkheid uiteindelijk als een: er is een wereld waarop wij verschillende betekenissen projecteren en het verschil zit in die projecties. Als je lang genoeg praat en deelt, kunnen ze in principe samenvallen. De praktijkontologie ontkent die enkelvoudige onderlaag. Wordt een organisatie in verschillende praktijken materieel anders uitgevoerd, dan verdwijnt het verschil niet door erover te praten. Het zit immers niet in de hoofden, maar in de praktijken zelf, met hun eigen instrumenten, routines en lichamen. Dat heeft grote gevolgen. Want waar de constructionist nog op gedeelde betekenis hoopt, weet de ontoloog dat de werkelijkheden meervoudig blijven zolang de praktijken dat zijn. Coördinatie is dan het hoogst haalbare, niet consensus, en dat is geen pessimisme maar een nuchtere vaststelling.
Leidt ontologische meervoudigheid niet tot een onbestuurbaar relativisme?
Een ander bezwaar: leidt ontologische meervoudigheid niet tot een onbestuurbaar relativisme? Als alles even werkelijk is, kan een bestuurder dan nog kiezen, of moet hij alle werkelijkheden eindeloos in de lucht houden? Het misverstand zit in de gelijkstelling van meervoudigheid met anarchie. Noch Mol, noch de Rotterdamse School beweert dat alles zomaar naast elkaar zweeft. Mols begrippen coördinatie, distributie en inclusie beschrijven juist hoe werkelijkheden bijeen worden gehouden en hoe op beslismomenten de ene tijdelijk boven de andere komt te staan. Daar voegt de configuratiebenadering fixatie aan toe ofwel bewust en tijdelijk vastzetten om handelen mogelijk te maken. Er is dus wel degelijk een keuze. Alleen wordt die erkend als een keuze tussen werkelijkheden, in plaats van de enige ware situatie te zijn. De verantwoording neemt daarmee zelfs toe: wie weet dat hij kiest, kan zich niet meer verschuilen achter de feiten of de noodzaak, maar moet zeggen welke werkelijkheid hij laat voorgaan (en waarom).
Waarom zou je een Nederlandse traditie opvoeren, riekt dat niet naar provincialisme?
En nog een tegenwerping: waarom zou je een Nederlandse traditie opvoeren, riekt dat niet naar provincialisme? Het gaat hier niet om nostalgie, maar om een functioneel surplus. De internationale ontologische literatuur is sterk in het diagnosticeren van meervoudigheid en zwak in het voorschrijven van handelen; ze beschrijft dat er gecoördineerd wordt, zelden hoe. Daar levert de Rotterdamse School juist een uitgewerkte handelingstheorie. Bovendien spreekt ze de taal van de Nederlandse bestuurspraktijk, waar de homogeniteitsvooronderstelling diep is ingebakken in een overleg- en consensuscultuur die verschil eerder als hindernis dan als hulpbron ziet. Een traditie terughalen die dat patroon van binnenuit openbreekt, is geen liefhebberij, maar een gerichte ingreep in een taaie bestuurlijke gewoonte.
Klinkt dit alles niet te harmonieus?
Ten slotte een tegenwerping die ik zelf het zwaarst vind wegen: klinkt dit alles niet te harmonieus? Triadiseren, een derde betekenis toevoegen, condities scheppen waaronder nieuwe koppelingen ontstaan: het suggereert dat er altijd een uitweg is. Maar wer-kelijkheden die in praktijken zijn verankerd, laten zich niet altijd verzoenen, en achter het verschil schuilt vaak een ongelijke verdeling van macht. De financiële uitvoering van de zorgorganisatie heeft doorgaans hardere instrumenten dan de relationele: een bankconvenant dwingt op een manier waarop een zorgrelatie dat niet doet. Wie dat negeert, maakt van coördinatie een eufemisme, waarin de sterkste praktijk haar werkelijkheid oplegt onder het mom van afstemming.
De configuratiebenadering ontkent dit niet, maar adresseert het ook niet uit zichzelf, en juist hier verraadt zich de grens van de synthese. Fixatie is niet alleen een cognitieve stolling, maar ook een machtshandeling: wie mag bepalen welke betekenis vastligt, oefent macht uit. Foucault leerde ons dat macht en kennis elkaar voortbrengen, zodat wat als waar en vanzelfsprekend gaat gelden nooit buiten machtsverhoudingen tot stand komt. Fixatie is in dat licht macht/kennis in bedrijf, want het vastleggen van een werkelijkheidsdefinitie is tegelijk het vastleggen van wie erover mag spreken en wie zwijgt.
Waar komt de machtsvraag vandaan?
De machtsvraag komt bovendien niet van buiten de ontologische traditie, want Mol stelt haar zelf. In haar werk over de logica van het zorgen laat zij zien dat in praktijken niet alleen verschillende werkelijkheden worden uitgevoerd, maar ook verschillende opvattingen van het goede, die met elkaar wedijveren en waarbij sommige het stelselmatig afleggen. Enactment is in die zin ook altijd politiek: het bevoorrecht de ene versie van de werkelijkheid, en het goede, boven de andere.
De agentiële snede uit Barads vocabulaire is dan ook nooit neutraal, want de snede die de ene werkelijkheid laat tellen en de andere buitensluit, kun je zelden los zien van wie aan de knoppen zit. Voor de bestuurder volgt daaruit geen recept, maar een waarschuwing: het openhouden van verschil is zelf een verdelingsvraag, en wie meervoudigheid serieus neemt, moet ook vragen wiens werkelijkheid het stelselmatig aflegt. Dat de configuratiebenadering daarop nog geen duidelijk antwoord heeft, is geen weerlegging van de synthese, maar de scherpste opdracht die zij achterlaat.
Implicaties voor besturen en toezicht: drie verschuivingen
1) de aard van het toezicht
Wat betekent dit alles voor wie werkelijk bestuurt of toezicht houdt? Er zijn drie verschuivingen denkbaar. De eerste betreft de aard van toezicht. Wordt de organisatie meervoudig uitgevoerd, dan is het niet de taak van een raad van toezicht om consensus te bereiken, maar om het verschil functioneel open te houden. Een raad die alleen maar convergeert en het zoeken naar één gedeeld beeld tot norm verheft, pleegt roofbouw op zijn eigen kenvermogen, want hij legt de uiteenlopende uitvoeringen waaruit de organisatie bestaat het zwijgen op. De meerwaarde van een meervoudig samengesteld orgaan zit nu juist daarin dat de leden niet hetzelfde weten, maar verschillende werkelijkheden meebrengen. Goed toezicht behoudt die meervoudigheid en weerstaat de verleiding tot voortijdige fixatie. Daar komt bij dat de manier waarop een raad zijn organisatie ter sprake brengt zelf performatief is: de kengetallen en kaders die hij vooropstelt, bepalen mede welke werkelijkheid de overhand krijgt.
2) De interventie zelf
De tweede verschuiving betreft de interventie zelf. Wie de autopoietische les ter harte neemt, weet dat een organisatie zich niet rechtstreeks naar één werkelijkheid laat dwingen. Bestuurlijk ingrijpen is dan geen oplegging van de juiste definitie, maar het moduleren van configuraties. Door praktijken bij elkaar te brengen die elkaar normaliter niet raken, een derde betekenis in te brengen in een vastgelopen tegenstelling of condities te scheppen zodat nieuwe koppelingen kunnen ontstaan. Dit is in feite de minimale, dynamische sturing van In ’t Veld, overgezet naar de bestuurskamer.
3) Het ritme
De derde verschuiving gaat over het ritme. Omdat fixatie tegelijk nodig en gevaarlijk is, kan besturen niet bestaan uit alles openhouden en evenmin uit alles vastzetten. Een organisatie die alles voortdurend openbreekt, raakt namelijk verlamd en een organisatie die niets meer ter discussie stelt, verstart. Besturen onder meervoudigheid heeft daarom een ritme: vastzetten wanneer er gehandeld moet worden en openbreken wanneer de fixatie het verschil begint te verstikken. Het gaat dus om weten welk moment is aangebroken en dit oordeelsvermogen kan niet worden vervangen door een model.
Hoe werkt dit in de praktijk?
Hoe ziet dat er in de praktijk uit? Terug naar de raad van toezicht. Een raad die deze les serieus neemt, begint niet met de vraag wie gelijk heeft – finance of kwaliteit – en evenmin met de vraag waar het midden ligt. Hij begint met het benoemen van de twee uitvoeringen. Waar wordt in deze organisatie vooral de geldstroom gezien, en waar de zorgrelatie, en waar raakt dit elkaar? Vervolgens houdt hij de onmiddellijke fixatie tegen, het simpele ja of nee bij een plan, en gaat hij op zoek naar een derde. Dat kan een persoon zijn (zoals de cliëntenraad) of een buitenstaander die geen van beide werkelijkheden vertegenwoordigt. Het kan ook een betekenis zijn, zoals een herontwerp dat de continuïteitsvraag en de relatievraag niet tegenover elkaar zet, maar in één beweging adresseert (bijvoorbeeld door locaties niet te sluiten, maar om te bouwen tot knooppunten met een ander kostenprofiel).
Het doel is niet harmonie, maar een andere configuratie waarin het verschil tussen finance en kwaliteit niet verdwijnt, maar gaat werken. Bijvoorbeeld met een besluit dat in beide werkelijkheden iets oplevert, in plaats van dat beide iets inleveren. Valt dat besluit, dan zet de raad het bewust vast, want zonder stolling geen handelen, wetend dat de fixatie zelf weer open zal moeten zodra ze het verschil begint te smoren.
Waar speelt dit nog meer?
Deze manier van kijken beperkt zich overigens niet tot de zorg. Neem een gemeentelijke herindeling: voor de afdeling Financiën is de nieuwe gemeente een begroting die sluitend moet worden, voor de wijkteams is ze een lappendeken van buurten met elk een eigen geschiedenis. En voor de juristen is ze een rechtspersoon die aan wet- en regelgeving moet voldoen. Het zijn niet drie meningen over een gemeente, maar drie gemeenten die in verschillende praktijken worden gemaakt en elkaar op gezette momenten in de weg zitten.
De harmonisatie van de afvalstoffenheffing maakt dat zichtbaar: in de begrotingspraktijk is een uniform tarief het logische eindpunt, in het wijkwerk botst datzelfde tarief op buurten die een ander voorzieningenniveau gewend waren en in de juridische praktijk dwingt de rechtsgelijkheid een eigen tempo af. Wie hier een van de drie tot waarheid verklaart, krijgt het verschil als boemerang terug, met bezwaarschriften, verloop bij wijkteams of een begroting die maar niet rondkomt.
Het werk zit dan in de koppelingen: een ingroeiperiode die de begrotingslogica respecteert, maar het wijkverschil de tijd geeft te verdampen, een hardheidsclausule die juridisch houdbaar is en toch ruimte laat voor de buurt. Dat is coördineren in letterlijke zin, dus de soorten uitvoering op elkaar betrekken, zonder ze tot een enkele te herleiden.
Waar de praktijken uiteenlopen, lopen de werkelijkheden uiteen en wordt besturen opnieuw een kwestie van coördineren. Geen van deze verschuivingen verlost de bestuurder echter van zijn ongemak. Ze bevestigen eerder dat dit ongemak terecht is. Het gevoel dat het verzoenende compromis tekortschiet, dat er iets onverenigbaars op tafel ligt, wijst niet op falend bestuur, maar op een juiste interpretatie van meervoudigheid. Wat het hier ontvouwde denken oplevert, is dus niet dat het ongemak verdwijnt, maar dat het bruikbaar wordt.
Tot besluit
Mijn betoog liep langs twee stellingen. De Rotterdamse School rond Van Dongen, De Laat en Maas ontwikkelde – met de configuratieve integratietheorie en de bestuurskundige uitloper bij In ’t Veld – een rijk meervoudigheidsdenken dat op belangrijke punten vooruitliep op de internationale ontologische wending. Maar dat denken bleef epistemisch, gericht op betekenissen en definities, en kwam niet tot materiële enactment. Precies daar vult het ontologische denken van Mol, Law, Latour en het procesdenken, samen te vatten met het begrip performativiteit, de traditie aan. Omgekeerd biedt de configuratiebenadering de handelingstheorie – met fixatie, deconstructie en triadisering – die het ontologische denken mist. Zo verschijnt ze als de ontbrekende schakel tussen systeemtheoretische geslotenheid en praktijkontologische multipliciteit.
Dat biedt mogelijkheden. Theoretisch vraagt de synthese om een uitwerking van de configuratie als de plek waar praktijken (en niet alleen betekenissen) hun werkelijkheden op elkaar betrekken. Empirisch valt er veel te leren uit de vraag hoe raden van toezicht en besturen feitelijk met de meervoudige uitvoering van hun organisatie omgaan: waar zetten ze vast, waar breken ze open en met welk resultaat? Daarbij hoort de machtsvraag die ik hierboven openliet: welke praktijk legt haar werkelijkheid aan de andere op, en hoe verhoudt het openhouden van verschil zich tot de ongelijke instrumenten van de betrokken praktijken?
Een configuratiebenadering die de ontologische wending serieus neemt, zal die verdelingsvraag ter harte moeten nemen. En in de opleiding van bestuurders en toezichthouders ligt een opgave, want die is nog te vaak gebouwd rond het ideaal van convergentie en consensus, terwijl het echte werk bestaat uit het hanteren van blijvend verschil.
Een kwestie van verschil heette het boek waarmee deze traditie zich op de kaart zette. De stap die nog rest, maakt er een kwestie van ontologie van. Niet om het verschil tot doel te verheffen, maar om besturen te zien voor wat het is: het geduldige werk van koppelen, vasthouden en weer openen van werkelijkheden die zich niet tot één laten terugbrengen.
Bron: Tijdschrift M&O
Door: Rob Blomme
Prof. dr. R.J. Blomme is rector bij Sioo te Utrecht, hoogleraar organization behavior bij de Nyenrode Business Universiteit te Breukelen, hoogleraar management en organisatie bij de Open Universiteit te Heerlen en hoofdredacteur van wetenschappelijke tijdschrift M&O voor Management en Organisatie.
Literatuur
Austin, J. L. (1962). How to do things with words. Oxford University Press.
Barad, K. (2007). Meeting the universe halfway: quantum physics and the entanglement of matter and meaning.
Duke University Press.
Bateson, G. (1972). Steps to an ecology of mind. Ballantine Books.
Berger, P. L., & Luckmann, T. (1966). The social construction of reality. Doubleday.
Bertalanffy, L. von. (1968). General system theory: foundations, development, applications. Braziller.
Callon, M. (Ed.). (1998). The laws of the markets. Blackwell.
Chia, R. (1996). Organizational analysis as deconstructive practice. De Gruyter.
Chomsky, N. (1965). Aspects of the theory of syntax. MIT Press.
Foerster, H. von. (2003). Understanding understanding: essays on cybernetics and cognition. Springer.
Foucault, M. (1975). Surveiller et punir: naissance de la prison. Gallimard.
Gergen, K. J. (1985). The social constructionist movement in modern psychology. American Psychologist, 40(3),
266-275.
In ’t Veld, R. J., Schaap, L., Termeer, C. J. A. M., & Van Twist, M. J. W. (Eds.). (1991). Autopoiesis and configuration
theory: new approaches to societal steering. Kluwer.
Langley, A. (1999). Strategies for theorizing from process data. Academy of Management Review, 24(4), 691-710.
Langley, A., Smallman, C., Tsoukas, H., & Van de Ven, A. H. (2013). Process studies of change in organization
and management. Academy of Management Journal, 56(1), 1-13.
Latour, B. (2005). Reassembling the social: an introduction to actor-network theory. Oxford University Press.
Law, J. (2004). After method: mess in social science research. Routledge.
MacKenzie, D. (2006). An engine, not a camera: how financial models shape markets. MIT Press.
Mol, A. (2002). The body multiple: ontology in medical practice. Duke University Press.
Mol, A. (2008). The logic of care: health and the problem of patient choice. Routledge.
Rorty, R. (Ed.). (1967). The linguistic turn: essays in philosophical method. University of Chicago Press.
Tsoukas, H., & Chia, R. (2002). On organizational becoming: Rethinking organization and change. Organization
Science, 13(5), 567-582.
Van Dongen, H. J., De Laat, W. A. M., & Maas, A. J. J. A. (1996). Een kwestie van verschil: conflicthantering en
onderhandeling in een configuratieve integratietheorie. Eburon.
Watzlawick, P., Beavin, J. H., & Jackson, D. D. (1967). Pragmatics of human communication. Norton.
Weick, K. E. (1979). The social psychology of organizing (2nd ed.). Addison-Wesley.
Wittgenstein, L. (1953). Philosophische Untersuchungen. Blackwell.
