Leiderschap kent een zinnelijke, belichaamde dimensie, en kan minstens zo verslavend en toxisch zijn als middelengebruik. Geïnspireerd op de Indiase filosofische stroming Vedānta wordt in dit artikel een leidraad voor ‘leiderschap in herstel’ gepresenteerd en op een nieuwe manier gevisualiseerd. Deze inzichten worden in dialoog gebracht met die uit de managementliteratuur rondom hybris, evenals met onderzoek naar de behandeling van middelenverslaving. Wanneer leiders zich laten leiden door ‘ahaṅkāra’ (pseudo-ego), ervaren ze innerlijke leegte, fragmentatie en eenzaamheid, wat leidt tot het uitleven van psychologische defensiemechanismen als zelfverheffing, sterke controlebehoefte en destructief gedrag. De verantwoordelijkheid in het tegengaan hiervan ligt niet alleen bij formele leiders; ook management- en leiderschapsinstituten hebben hierbij een cruciale rol te vervullen. In de roep om een meer transculturele en transdisciplinaire wetenschap mogen inzichten uit de eeuwenoude, hoogontwikkelde Vedānta niet in het curriculum van westerse opleidingsinstituten ontbreken.

Inhoudsopgave
Estimated reading time: 20 minuten
Inleiding
Het zijn vragen die ik mijn studenten regelmatig stel, wanneer ze zich hebben ingeschreven voor een universitaire opleiding, cursus of workshop waarin het woord ‘leiderschap’ voorkomt. Vanwaar de interesse in leiderschap? Ambiëren zij daadwerkelijk in de toekomst een leiderschapspositie te bekleden – en zo ja, waarom? Naast de uitgesproken wens om een positieve impact te willen hebben, blijft er vaak iets ongezegd. Het lijkt een taboe om de verwachting uit te spreken dat leiderschap plezierig is, dat het ook gewoon ‘lekker’ kan zijn. Genieten van leiderschap is blijkbaar iets wat je voor je moet houden.
Maar de zinnelijkheid ervan is voor iedereen voelbaar. In de woorden van emeritus hoogleraar leiderschap Jonathan R. Gosling:
‘Leiderschap kent een zinnelijke dimensie: een gevoel dat ermee gepaard gaat en bijna tastbaar wordt wanneer leiders spreken over hun werkdag. Het betreft hier een genoegen van macht – niet in een duistere of perverse zin, maar als de bevrediging van een verlangen dat zijn object heeft gevonden’ (2019, p. 390).
Toch wijst Gosling er ook nadrukkelijk op dat achter het genoegen van macht als zinnelijke dimensie een schaduwzijde schuilt: hoogmoed. Het herhaalde gebruik van het woord ‘zinnelijk’ in deze context doet in eerste instantie wellicht wat bevreemdend aan, maar het is welbewust gekozen. Het woord wijst op een ‘esthetische, belevingsgerichte wending’ in leiderschapsonderzoek (Sutherland e.a., 2015, p. 610), waarbij de nadruk ligt op hoe leiders macht direct en belichaamd ervaren. Die ervaring van macht kan individuen vatbaar maken voor hoogmoed, ook als ze van nature geen narcistische persoonlijkheidsstructuur hebben. Dit wordt leiderhybris genoemd (o.a. Owen & Davidson, 2009; Petit & Bollaert, 2012; Sadler-Smith e.a., 2016, 2019; Sundermeier, 2023; Tourish, 2020a).
Leiderschapsverslaving
In dit artikel wordt betoogd dat de verslavende werking van macht maakt dat de term leiderhybris praktisch synoniem is met leiderschapsverslaving en dat de onderliggende dynamiek ervan vergelijkbaar is met middelenverslaving. Het maakt tevens inzichtelijk waarom sommige leiders tegen beter weten in ‘aan het pluche blijven plakken’.
Om dit fenomeen nog beter te begrijpen, wordt geput uit de eeuwenoude Indiase filosofie Vedānta en wordt deze in dialoog gebracht met inzichten uit zowel de moderne westerse verslavingszorg als de managementwetenschappen.
Vedānta en leiderschap
Vedānta is een filosofische traditie binnen het hindoeïsme die de aard van het zelf (‘ātman’), de ultieme grond van zijn (‘Brahman’) en de relatie daartussen onderzoekt. Leiderschap wordt hierin niet alleen als sociale rol gezien, maar ook als een terrein voor persoonlijke en spirituele ontwikkeling. In het bekendste geschrift uit deze traditie, de Bhagavad Gītā – tevens een inspiratiebron voor Mahātmā Gandhi – onderricht Śrī Krishna prins Arjuna over plicht, onbaatzuchtig handelen, reïncarnatie en bevrijding. Deze verhandelingen laten zien dat leiderschap altijd is ingebed in een bredere ethische en existentieel-spirituele context.
Hoewel leiderschap – net als het subjectief ervaren vakmanschap door een loodgieter, chirurg of verpleegkundige – een bron van professionele vervulling kan zijn, is hybris een beroepsspecifiek risico dat voortkomt uit de zinnelijke ervaring van macht. Dit maakt mensen uit de beroepsgroep van leiders daarom extra kwetsbaar voor verslaving. De bovengenoemde roep om een ‘esthetische, belevingsgerichte wending’ in leiderschapsonderzoek, met nadruk op belichaming en zinnelijkheid, opent de mogelijkheid om reeds lang bestaande, relevante kennis hierover uit Vedānta te ontsluiten (zie ook Graamans, 2024a, 2025a, 2025b).
Zinnelijkheid en verslaving
Over zinnelijkheid en verslaving zegt het eeuwenoude vedāntische gedicht de Bhagavad Gītā (hierna de Gītā) bijvoorbeeld het volgende:
‘Door zich te fixeren op zinsobjecten ontwikkelt een persoon een gehechtheid. Uit deze gehechtheid ontstaat een sterke drang [begeerte, drift, impuls] en uit deze drang groeit frustratie. Frustratie leidt tot verwarring, en door verwarring raakt het geheugen vertroebeld. Wanneer het geheugen vertroebeld is, gaat het onderscheidingsvermogen verloren, en met het verlies van dit vermogen verliest men zichzelf [verslaving]’ (Gītā, geïnspireerd op de vertaling van Satyānārāyaṇa Dāsa, 2015, 2:62/63).
Management- en leiderschapsopleidingen dragen een belangrijke maatschappelijke verantwoordelijkheid om leiderhybris (leiderschapsverslaving) tegen te gaan, door studenten handvatten te bieden om dit fenomeen te begrijpen; een verantwoordelijkheid waarin zij volgens sommige deskundigen tekortschieten (o.a. Adler, 2006; Gabriel, 2005; Sutherland e.a., 2015) of zelfs zeer ernstig tekortschieten (Tourish, 2018, 2020b). Een transcultureel vedāntisch perspectief dat eeuwenoude kennis niet negeert maar systematisch benut, kan een waardevolle bijdrage leveren aan de managementwetenschappen, die nog steeds vooral westers georiënteerd zijn.
Verschillende auteurs hebben de relevantie van Vedānta voor hedendaags leiderschap reeds aangetoond (o.a. Chakraborty, 1996; Chatterjee, 1998, 2012; Dhiman, 2019; Muniapan, 2017; Trevisan e.a., 2025), zoals dat ook gebeurt in mijn recente publicaties over hoogmoed en leiderschap (o.a. Graamans, 2025a, 2025b). Toch blijft het specifieke aspect van leiderschap als verslavend proces, voor zover mij bekend, tot op heden onderbelicht in de op Vedānta geïnspireerde management- en leiderschapsliteratuur; een lacune die om verdere verkenning vraagt.
De verslavende werking van leiderschap
Het verschil tussen middelenverslaving en leiderschapsverslaving zit vooral in de subtiliteit waarmee de stappen beschreven in de bovenstaande twee samengevoegde verzen uit de Gītā (2:62/63) zich ontvouwen; beginnend bij de fixatie op zinsobjecten en eindigend met het verlies van zelf – verlies van zelf als totale verslaving aan zaken buiten het zelf. Echter, waar een middelenverslaafde het stereotiepe beeld kan oproepen van de ‘straatjunk achter het Centraal’ en soms zonder veel mededogen wordt verguisd (zie ook Maté, 2008), wordt het verslavingsgedrag van een leider aanvankelijk nog vergoelijkt vanuit een breed gedeelde, maatschappelijke behoefte aan sterke leiders (Fromm, 1941; Gabriel, 1997).

Een ander belangrijk verschil is dat bij middelengebruik het verlies van controle en decorum vaak heel saillant is (Sussman e.a., 2010). In de ergste gevallen is er sprake van onhoudbaar geestelijk en lichamelijk lijden. Bij verslaving aan ervaren macht door leiders gaat het daarentegen juist om het hooghouden van een illusie van controle door vakkundig belichaamd impressie- en reputatiemanagement. Dat macht verslavend is, wordt in de managementliteratuur echter breed onderkend (o.a. Harris, 2019; Hartley & Bolden, 2022; Hidalgo & Matusitz, 2025; Kets de Vries, 1991, 2018).
Ego en hoger zelf
Onderzoek toont dat vertrouwen op een hogere macht bij de behandeling van middelenverslaving het risico met zich meebrengt dat onderliggende psychologische problemen worden vermeden. Met andere woorden: dat spiritualiteit misbruikt wordt als excuus, terwijl datzelfde vertrouwen ook als ondersteunend copingmechanisme kan dienen en het herstelproces kan bevorderen (Kaskutas, 2009; Kelly e.a., 2020; Sussman e.a., 2011).
Daartegenover kan een verheven ego, afgesneden van werkelijk contact met anderen en zonder erkenning van een overstijgende dimensie, het herstel van een verslaving belemmeren. Dit doordat zo’n geïsoleerd ego geneigd is hardnekkig vast te houden aan de illusie van controle; controle over het eigen middelengebruik of andersoortige driften. Kwetsbaarheid wordt gezien als zwakheid en hulp wordt niet aanvaard.
Dit artikel onderzoekt daarom de rol van een transcendente dimensie in het helingsproces bij leiderschapsverslaving. Vedānta in het bijzonder biedt hierbij een vakkundig uitgewerkte en langdurig beproefde psychologie over ego in relatie tot een hoger (transcendent/bovenzinnelijk) zelf (Dasti & Bryant, 2014). Juist bij de verslaving aan macht ligt de sleutel tot verandering in het doorbreken van de eerdergenoemde illusie van controle, door het zelfverheven ego op te heffen. Hoewel Vedānta in de kern theïstisch is, biedt deze benadering tevens een meer seculiere invalshoek via de nauwkeurig onderscheiden concepten van ‘aham-artha’ (rein ego), ‘ahaṅkāra’ (pseudoego), ‘jīvātman’ (belichaamd zelf) en het multi-interpretabele concept van ‘Brahman’ (de grond van zijn).
Op weg naar heling
Het valt buiten het bestek van dit artikel om alle epistemologische en ontologische vraagstukken die spelen bij de verschillende interpretaties van Vedānta volledig te behandelen (zie Dasti & Bryant, 2014; Nicholson, 2010; Śrīla Jīva Gosvāmī, ca. 1555-1561/2015) voor het ontwikkelen en begrijpelijk presenteren van het model in figuur 1.
Daar wordt een aantal in Vedānta veelgebruikte Sanskriet termen nader toegelicht. Voor de kenners van Vedānta is het in het kader van transparantie en inbedding belangrijk om te weten dat dit artikel een Acintya-Bhedābheda-interpretatie van Vedānta hanteert, ook wel ‘vedāntisch personalisme’ genoemd (Padmanabha, 2023; Sardella, 2013). Voor wie Vedānta nieuw is, is het voldoende om te weten dat in deze interpretatie het diepere, ervaren gevoel van ‘ik-zijn’ een persoonlijke en bewuste kern vormt, die zowel met de wereld verbonden is als er bovenuit stijgt, zonder ooit haar individualiteit te verliezen.
Jīvātman
De subjectpositie van het belichaamde individu staat hier dus centraal: de ik-persoon. In figuur 1 heb ik dit daarom prominent weergegeven op de plek waar de assen elkaar kruisen centraal in het midden bij ‘jīvātman’ (belichaamd zelf). Dit eerste-persoonsperspectief van het belichaamde zelf wordt in het Sanskriet dus ‘jīvātman’ genoemd (‘jīva’ betekent levende of ervarende en ‘ātman’ staat voor zelf). Het concept omvat dus zowel een tijdloze essentie of ziel als een voortdurend veranderend psychofysiek complex. Haar wezen is gericht op geluk, vreugde en spel. Echter, zoekt ze haar geluk in gehechtheid aan materie en in het instrumentele gebruik van anderen en relaties, dan bewandelt zij een regressief pad van zelfzuchtigheid. In figuur 1 heb ik dit weergeven met een pijl over de verticale as omlaag.
Zoekt ze daarentegen haar geluk in het geluk van anderen, en breekt ze haar gevoel van ik-zijn open om alles wat is te omarmen in een hoger zelf, dan bewandelt zij een progressief pad van ervaren eenheid en gelukzaligheid. In de figuur heb ik dit weergeven met een pijl over de verticale as omhoog.
Zij heeft het vermogen tot innerlijke verkenning, gevisualiseerd in de figuur door een oog dat kijkt over de horizontale as naar links: introspectie. Wanneer ze haar aandacht naar buiten richt, leeft ze haar innerlijke wereld uit in handelen en gedrag. In de figuur heb ik dit weergegeven als een blik over de horizontale as naar rechts.
Enactment
Hiervoor gebruik ik de Engelse term ‘enactment’, omdat dit de meest precieze beschikbare term is. ‘Enactment’ kan in de psychologie vertaald worden als uitageren, uitspelen of verwezenlijken. Dit belichaamde individu (‘jīvātman’) maakt deel uit van van de ultieme realiteit, maar verschilt er ook van, ook wel ‘Brahman’ genoemd (Śrīla Jīva Gosvāmī, ca. 1555- 1561/2016). ‘Brahman’ kan vertaald worden als de ‘grond van zijn’ waarin alles wat is rust. Omdat deze term staat voor zowel het transcendente als het immanent verbonden karakter van alles wat is – panentheïstische eenheid in verscheidenheid – vormt deze grond van zijn het onderliggende canvas van de figuur als geheel.

Leiderschap en verslaving
Bij de in dit artikel gehanteerde Acintya-Bhedābheda-interpretatie van Vedānta worden zinnelijkheid en belichaming gezien als steeds veranderende esthetische expressies van het individuele zelf, en daarmee dus niet opgevat als inherent problematisch, zoals in sommige andere Vedānta-scholen het geval is (zie ook Dasti & Bryant, 2014; Holdrege, 2015; Sardella, 2013).6 Problematisch is de misidentificatie door de ‘jīvātman’ met de zinsobjecten waarop zij zich fixeert, zoals carrières, rollen, titels en bezittingen. Wanneer zij zich op dit regressieve pad begeeft, wordt ze steeds meer in beslag genomen door een illusoire, materiële energie (‘bahiraṅga-śakti’).
De verschillende energieën (‘śakti’s’) ofwel zijnsmodi van de ‘jīvātman’ heb ik weergegeven met een aparte verticale stippellijn links in de figuur. De neerwaartse beweging wordt mogelijk gemaakt door een specifiek voor deze doelstelling losgezongen ego. Dit ego is losgezongen, omdat de ‘jīvātman’ in de ban van dit ego haar hogere zelf en intrinsieke verbondenheid met de dragende grond van zijn vergeet. Haar gevoel van ikzijn bestaat hier enkel nog uit materiële identificaties of, beter gezegd, misidentificaties.
De tijdelijkheid van de dingen – of zinsobjecten in de terminologie van de Gītā (2:62/63) – waarmee de ‘jīvātman’ zich identificeert, met behulp van dit ego als identificatiemechanisme, maakt dat ze in een constante, als existentieel ervaren overlevingsmodus verkeert.
Pseudo-ego
In het Sanskriet wordt dit (mis)identificatiemechanisme ‘ahaṅkāra’ genoemd, hier vertaald als pseudo-ego (zowel verheven als losgezongen). Het vertegenwoordigt het regressieve pad van fixatie op zinsobjecten naar uiteindelijk verlies van het zelf. Dit verlies, zoals stapsgewijs uiteengezet in de Gītā, weerspiegelt de totale verslaving aan zaken buiten het zelf. Zoals gezegd, wordt dit verlies van het zelf in de figuur weergegeven als een neerwaartse beweging over de verticale as. Het gevoel van ik-zijn wordt geleidelijk overgenomen door ‘ahaṅkāra’ (pseudo-ego). Vanuit vedāntisch perspectief kan leiderschapsverslaving worden opgevat als een verlies van het zelf door overgave aan een zijnsmodus waarin materie als enige bron van geluk wordt gezien.
Het hiervoor beschreven pseudo-ego construeert geleidelijk aan een zorgvuldig opgebouwde persona. Dit ego houdt de illusie van controle in stand door de illusoire persona via diverse psychologische defensiemechanismen hoog te houden (Satyānārāyaṇa Dāsa & Edelmann, 2014). Wanneer de ‘jīvātman’ – kijkend door het oog van het pseudoego links over de horizontale as – een poging tot introspectie doet, stuit zij op een existentiële leegte met gevoelens van isolatie en verlatenheid. Deze verarmde innerlijke ervaringsruimte gaat schuil achter een opgevoerde maskerade, weergegeven in het kwadrant linksonder in de figuur (bij maskerade/defensiemechanismen). Ze kan deze innerlijke ervaringsruimte niet integreren. Een confrontatie ermee roept existentiële ngst of afkeer op.
Symbolische ornamenten van status en erkenning
Wanneer vanuit hier de blik naar buiten wordt gericht, wordt de innerlijk ervaren leegte geprojecteerd of uitgeleefd (‘enacted’) als overdreven zelfverheffing, vaak aangekleed met symbolische ornamenten van status en erkenning. Dit vormt tevens de onbewuste drijfveer voor het actualiseren van leiderhybris gebaseerd op een verdeel-en-heersstrategie, wat resulteert in verdere fragmentatie.
Deze als antagonistisch en gefragmenteerd ervaren buitenwereld heb ik weergegeven in het kwadrant rechtsonder in de figuur bij leiderhybris/fragmentatie door verdeel-en-heers. De leiderhybris weergegeven in dit kwadrant vertoont overeenkomsten met die van sekteleiders (Graamans, 2024b; Tourish, 2013; Tourish & Pinnington, 2002), met totalitarisme (Gosling, 2019) en met tirannie (Petit & Bollaert, 2012). Aan deze manifestaties ligt uiteindelijk het pseudo-ego (‘ahaṅkāra’) ten grondslag. Dit ego is het werkende mechanisme dat hybris voedt door de misidentificatie van de ‘jīvātman’ met de illusoire, materiële energie te faciliteren.
Leiderhybris en leiderschapsverslaving inherent toxisch
Leiderhybris en leiderschapsverslaving zijn inherent toxisch. Hoewel de omgeving er aanvankelijk niet direct onder hoeft te lijden en de schadelijke effecten op zich kunnen laten wachten, voelt de leider zelf zich innerlijk onvervuld, zodra de roes van macht is uitgewerkt. Gewenning treedt op en het innerlijke gevoel van leegte manifesteert zich als toxisch gedrag, vaak onbewust. Bekleedt deze persoon een positie van aanzienlijke invloed, dan is dat des te fnuikender, omdat de gevolgen van de toxiciteit groter zijn en moeilijker kunnen worden aangekaart. De hoognodige heling blijft dus uit. Sla de krant er maar op na; het lijkt tegenwoordig de tragische realiteit van alledag. De vraag is waar ruimte voor heling is en hoe een opwaartse ontwikkeling kan worden ingezet. Daarop wordt hierna nader ingegaan.
Leiderschap in herstel
De intrinsieke aard van de ‘jīvātman’ wordt, naast haar streven naar geluk, gekenmerkt door kwetsbaarheid en keuzevrijheid (Dasti & Bryant, 2014; Padmanabha, 2023). Deze metafysische ruimte van kwetsbare keuzevrijheid wordt in het Sanskriet ‘taṭastha-śakti’ genoemd en heb ik weergegeven in het midden van de verticale stippellijn links in figuur 1. Het is de marginale ruimte van waaruit het zelf zich vrijwillig en autonoom kan identificeren met ofwel de illusoire, materiële energie (‘bāhirāṅga-śakti’) ofwel een gevoel van inclusief, opengebroken ik-zijn in verbinding met een hogere kracht (‘antarāṅga-śakti’). Dit pure en bevrijdende gevoel van ik-zijn in de laatstgenoemde zijnsmodus wordt in het Sanskriet geduid met de term ‘aham-artha’ (Satyānārāyaṇa Dāsa & Edelmann, 2014).
Het omhelzen van een ego in deze helende zin wordt in de figuur weergegeven als een beweging over de verticale as naar boven: ‘aham-artha’ (rein ego). Zoals gezegd, wordt introspectie in de figuur weergegeven als een blik naar links over de horizontale as. Wanneer de ‘jīvātman’ haar blik naar binnen richt – kijkend door het oog van het reine ego – ervaart ze een gevoel van ik-zijn dat gepaard gaat met kwetsbaarheid als een bron van empowerment. Deze innerlijke ervaringsruimte heb ik weergegeven in het kwadrant linksboven in de figuur bij empowerment/kwetsbaarheid.
Scherper geformuleerd: dit is een doorleefde ervaringsruimte van bevrijdende schaamte- en schuldvrije kwetsbaarheid.
Helende ervaringsruimte
In deze helende ervaringsruimte komt een onuitputtelijke hoeveelheid productieve energie vrij. De ‘jīvātman’ hoeft de energieslurpende psychologische defensiemechanismen van het pseudo-ego – de maskerade – niet meer hoog te houden. Ze voelt zich bevrijd en kan nu haar intrinsieke kwetsbaarheid doorvoelen als bron van helende kracht.
Een hedendaagse Vedānta filosoof licht deze paradox als volgt toe:
‘Wij zijn “taṭastha”, kwetsbaar, en het is meer dan oké om dat te zijn. Met andere woorden, we moeten een diep gevoel van waardigheid en zelfrespect ontwikkelen, niet vanuit egocentrische arrogantie [“ahaṅkāra”], maar in de context van kwetsbaarheid en het geschenk van ons potentieel [“aham-artha”]’ (Padmanabha, 2023, p. 144).
Verlangen naar verbinding
Deze vorm van kwetsbaarheid moet dus niet gezien worden als zwakheid, maar als potentieel voor een gevoel van en verlangen naar verbinding en eenheid met alles wat is en een hoger zelf. Het goede nieuws, zo stelt Vedānta, is dat zodra deze bewustwording wordt aangewakkerd, de stap naar heling relatief snel en moeiteloos kan worden gezet:
‘Wie zich niet laat vangen door dualiteiten [fragmentatie], vindt moeiteloos bevrijding uit haar gebondenheid [van verslaving]’ (Gītā, geïnspireerd op de vertaling van Satyānārāyaṇa Dāsa, 2015, 5:3).
Toch moeten de verwachtingen hier enigszins getemperd worden. Want al is het proces van heling in gang gezet, waakzaamheid blijft geboden. Ervaringsdeskundigen die afgekickt zijn van middelengebruik geven aan voor de rest van hun leven in herstel te zijn (o.a. Parker e.a., 2019). Zelfgenoegzaamheid is daarbij een voorbode van terugval.
Onbaatzuchtig werk
Een krachtige remedie die vanuit de Gītā in dit verband wordt aanreikt, is die van onbaatzuchtig werk (‘karma-yoga’). Dit zijn activiteiten ondernomen zonder te hechten aan resultaat en zonder fixatie op zinsobjecten, maar met aandacht voor de activiteiten zelf in het hier-en-nu. Het is een actieve vorm van meditatie die wordt gekenmerkt door een gevoel van ik-zijn dat niet egoïstisch is, maar de wereld beziet vanuit verbondenheid.
Ik heb deze ervaringsruimte en benadering van de buitenwereld weergegeven in het kwadrant rechtsboven in de figuur. Denk hierbij bijvoorbeeld ook aan het met aandacht en liefde bijstaan van een ander in zijn of haar helingsproces. Zo leert men de ander zien als deel van een zelf van hogere orde (Graamans, 2025a).
Wat betreft leiderschapsstijl komt deze richting het meest overeen met wat in management-en leiderschapsjargon dienend leiderschap wordt genoemd (o.a. Greenleaf, 1970, 1977). Het reine gevoel van ik-zijn (‘aham-artha’) wordt bij uitstek belichaamd in dienend leiderschap. Dit is een expressie van de innerlijke roeping om vanuit kwetsbaarheid naar verbinding te zoeken en samen met anderen een gevoel van (inclusieve, non-tribale, non-sektarische) eenheid te ervaren: dienend leiderschap/verbinding.

Tot besluit
Aanleiding voor het schrijven van dit artikel was een esthetische, belevingsgerichte wending in leiderschapsstudies (Sutherland e.a., 2015), de oproep om meer open te staan voor niet-westerse vormen van kennis en kennisverwerving (zie ook Reiter, 2021; Santos, 2014) en het bestaan van een rijke kennistraditie in Vedānta die nog niet volledig ontsloten is (Nicholson, 2010). De macht die leiders ervaren, staat niet los van een gevoel van ‘ik-zijn,’ anderen en de relatie daartussen, en vormt – wat niet vaak openlijk wordt onderkend – een bron van zinnelijk plezier (Gosling, 2019). In het geval van hybris zijn de verbanden met zelf, anderen en de wijdere omgeving in de context van die macht verstoord geraakt (Petit & Bollaert, 2019).
Vedānta nodigt uit op een andere manier te kijken naar de onderliggende mechanismen die uitgeleefd worden in de toxische stijl van sommige leiders die verslaafd zijn aan de macht die ze ervaren. En dat inzicht biedt Vedānta niet alleen op een filosofisch-beschrijvende manier, maar ook op een ervaringsgerichte manier. De nadruk ligt op een transformatie van het affectieve systeem; perspectief en hart.
Vedānta is niet vrijblijvend van aard; de roep om verbinding, eenheid en verdieping wordt enkel luider wanneer die eenmaal is aangewakkerd. De veranderingen die plaatsvinden in de persoon zijn subtiel, worden niet breed uitgemeten of geëtaleerd, maar zijn wel voelbaar in het medemenselijk contact.
Remedie tegen machtsverslaving
De remedie tegen de verslaving aan macht door leiders draait om het maken van een ‘inner shift’ van controle naar vertrouwen, van angst naar liefde. Figuur 1 kan fungeren als leidraad bij het helingsproces van verslaving naar herstel. Maar dit op Vedānta gebaseerde metafysische kader (Acintya-Bhedābheda) biedt meer dan enkel herstel; het opent ook een breder perspectief. Het onderliggende raamwerk dient de esthetische ervaring van eenheid in verscheidenheid in kosmisch, liefdevol spel (‘līlā’; Gupta, 2007; Shrivatsa Gosvāmī, 1982, 1992), onder het motto: het ene (‘Brahman’) wordt velen, omwille van niets anders dan de speeldynamiek zelf. Leiderschap is een serieuze aangelegenheid, maar juist serieuze zaken vergen een liefdevol hart en een speelsheid die natuurlijk meebeweegt met dit kosmische ritme (Graamans, 2025a, 2025b).
Alle vedāntisten, ongeacht school of traditie, wijzen op het belang van ervaren eenheid – een eenheid die zowel transcendent als immanent in alles aanwezig is. Wanneer het pseudo-ego en de illusie van controle wijken voor het direct ervaren van die eenheid, verdwijnt de fixatie op macht en daarmee het risico van zelfverlies (verslaving aan iets buiten het zelf). Hybris kan dan geen voet meer aan de grond krijgen.
Transformatie: van leiderschapsverslaving naar herstel
De transformatie van verslaafd zijn aan macht naar herstel en heling moet natuurlijk wel op een of andere manier aangewakkerd worden. Door de vedānta-literatuur heen wordt het belang benadrukt van een gids (‘guru’) en de steun van de gemeenschap (‘saṃgha’) om deze transformatie in gang te zetten. In een samenleving waar religie haar traditionele rol verliest en het gemeenschapsgevoel afbrokkelt, wordt innerlijke heling al snel gelijkgesteld aan psychotherapie. Echter, bij het tegengaan van hybris en verslaving aan macht komt ook management- en leiderschapsopleidingen een duidelijke rol toe (Adler, 2006; Gabriel, 2005; Sutherland e.a., 2015; Tourish, 2018, 2020b). Docenten en onderzoekers aan deze instituten zouden hierbij een prominentere gidsrol moeten vervullen.
Iedereen heeft baat bij Vedānta
Tot slot laat dit artikel zien dat dit op Vedānta geïnspireerde metafysische kader, gevisualiseerd in figuur 1, niet alleen als leidraad kan dienen voor mensen die formele leiderschapsposities bekleden of ambiëren; iedereen kan er baat bij hebben, ongeacht positie of functie. Daarenboven worden leiders mede gemaakt door hun omgeving.
De verering van leiders, het wegkijken voor of vergoelijken van toxisch gedrag of juist een projectie van eigen onvermogen op leiders dragen bij aan hybris, door het in stand houden van een ongezonde persoonlijkheidscultus rondom leiders. Het is daarom onjuist alle verantwoordelijkheid voor verslaving en hybris bij de leiders te leggen. Er is behoefte aan herstel en heling vanuit twee kanten; leiderschap in herstel is een zaak van iedereen.
Dankbetuiging
Veel dank gaat uit naar mijn gurudeva Śrīla B.P. Purī Gosvāmī Ṭhākura (1898-1999) voor zijn liefdevolle onderricht en gidswerk in Vedānta. Dank gaat ook uit naar gurumātā Śrīmatī Jayśrī Devī Gosvāmīnī voor het bieden van een vrouwelijk perspectief op Vedānta, evenals naar de executive director van Maitri, Winnie Singh, voor het zo moedig opkomen voor de waardigheid van vrouwen in nood. En tot slot gaat mijn dank uit naar Rādhikā: zonder haar zou dit artikel niet geschreven zijn.
Bron: M&O, Tijdschrift voor Management en Organisatie
Door: Ernst Graamans
Dr. E.P. Graamans is assistent professor cultuur en leiderschap bij de School of Business and Economics van de Vrije Universiteit Amsterdam.









