In het omgaan met autoriteit en macht ontwikkelen we vanaf onze vroege kinderjaren grofweg drie typen overlevingsstrategieën. Drie primaire (automatische) manieren waarop we reageren op verschillen in macht en invloed in de relatie met anderen:
- We verheffen ons boven de ander in een zogenaamde bovenrol: ‘Ik ben machtiger dan jij/jullie.’
- We passen ons aan aan de ander in een zogenaamde onderrol: ‘Jij/jullie zijn machtiger dan ik.’
- We gaan uit contact of dissociëren: ‘Huh? Ik was even in gedachten ergens anders …’
Vanbinnen stabiel en rustig
Alle drie de overlevingsstrategieën oftewel rollen helpen om het vanbinnen zo rustig en stabiel mogelijk te houden.
- Als ik me verhef, weet ik het beter dan jij, dat is rustig. Ik heb het goed, jij hebt het fout. Ik hoef niets te veranderen, jij wel.
- Als ik me aanpas, vermijd ik de spanning die het oplevert als ik tegen je inga. Het blijft rustig tussen ons en daarmee ook in mezelf.
- Als ik dissocieer, hoef ik niet te voelen wat er werkelijk in me leeft aan ongemakkelijke gevoelens. Ik ben me er niet meer van bewust en dat is wel zo rustig.
We hebben allemaal meerdere versies van deze opties ontwikkeld, verschillende manieren waarop we onszelf verheffen, aanpassen of dissociëren. Afhankelijk van de context vervallen we in het een of het ander. Een heel competitieve omgeving roept andere strategieën op dan een context waarin de leden vooral gewend zijn samen te klagen over de organisatie.
Dát je in een overlevingsrol getriggerd wordt, is niet persoonlijk, hoe je je vanuit de rol gedraagt, is dat wel.
Veelvoorkomende gedragingen
Om je te helpen identificeren welke versies van boven- en onderrollen jij allemaal in je arsenaal hebt, noem ik een aantal veelvoorkomende gedragingen die ik waarneem bij de rollen in de praktijk:
- Verheven gedrag: sturend, stellig praten, fysiek ruimte innemen, verbaal ruimte innemen met veel taal, het initiatief nemen om anderen aan te raken, stevige stem met volume, directief zijn, argumenteren met anderen of hen tegenspreken, anderen uitleggen wat jij al weet, zorgen voor anderen, normatief praten, praten in meningen, oordelen, leiden, actief verzet, voluit oogcontact maken of juist niet enzovoorts.
- Aanpassend gedrag: stil worden, je niet uitspreken als je het er niet mee eens bent, toegeven, wollig of omslachtig praten, niet tot de kern komen, zachte stem, ingehouden lichaamshouding, schouders naar beneden, benen over elkaar, vragen stellen in plaats van stelling nemen, klagen, goedkeuring vragen, passief verzet, pleasen met zorg voor anderen, volgen, dienstbaar zijn, voorzichtiger oogcontact maken – als eerste wegkijken – of juist vermijden enzovoorts.
- Dissociatief gedrag: geen oogcontact, kijkt naar iets anders, lichaam naar achteren gericht (in gedachten mogelijk ergens anders, maar dat is geen gedrag).
Context bepaalt overlevingsstrategie
Bij autoriteitsissues is het afhankelijk van de context, jouw plek of positie hierin én jouw persoonlijke bagage welke overlevingsstrategie de overhand zal hebben. Dit is een automatisch proces buiten ons bewustzijn om. De manier waarop je getriggerd wordt en reageert, is wellicht persoonlijk. Maar het feit dát je in een strategie getriggerd wordt, is niet persoonlijk. Het is informatie over de context waarin je je bevindt. We zijn zo gewend om onze ervaring persoonlijk te maken en te koppelen aan individuele kenmerken dat het contextualiseren van onze ervaring vaak een geheel nieuwe stap is. Leren verantwoordelijkheid te nemen en te kiezen voor gedrag dat wél constructief is, is een proces dat tijd kost.
Bron: Stap uit Powerplay
Door: Jobbeke de Jong





