Wanneer het lot van mensen en niet‑mensen met elkaar verweven is, is het enige veranderkundige perspectief dat werkt een meer‑dan‑menselijk perspectief. Precies dat is aan de orde in het Antropoceen: het tijdperk waarin de mens de natuurlijke wereld diepgaand heeft ontregeld. Niet dat iedere veranderaar nu een natuurliefhebber zou moeten worden — al zou dat een prettige bijvangst zijn. Het punt is dat we niet ecologisch hoeven te worden. Juist in tijden van diepgaande ecologische verstoring wordt duidelijk dat we altijd al ecologische wezens zijn. Wat als we dat veranderkundig gezien serieus nemen?

Meer‑dan‑menselijke verwevenheid erkennen
Wie als veranderaar aan een project begint, doet dat vaak in het vertrouwde toneel van een overlegkamer vol betrokken professionals. Neem een complex maatschappelijk vraagstuk als de transformatie van de jeugdzorg. Het gesprek gaat dan al snel over interventies die samenwerking moeten verbeteren, nieuwe werkwijzen stimuleren en verantwoordelijkheden verduidelijken. Veranderen krijgt dan vorm als iets tussen mensen.
Maar de leefwereld waarop men in zo’n geval impact wil hebben, laat zich niet in deze begrenzing vangen. Denk bijvoorbeeld aan Nora, een meisje van negen dat deel uitmaakt van datzelfde jeugdzorgsysteem. Het is niet lastig ons voor te stellen hoe zij opgroeit in een vochtige woning waar schimmel langs de muren kruipt, waar een muis wegschiet tussen lege verpakkingen en waar uitlaatgassen door kieren van het huis naar binnen waaien. Tegelijkertijd zijn er de huisdieren die haar troosten en het park om de hoek waar ze graag speelt. Haar leven bestaat niet alleen uit mensen, maar ook uit de dieren in haar woning, de bomen in haar wijk, het beton van haar huis, de lucht die ze inademt en de bacteriën in haar lijf. Nora’s leven is een voortdurend samenspel van menselijke én meer‑dan‑menselijke krachten. Een veranderkundige die deze dimensie buiten beschouwing laat, loopt het risico over het hoofd te zien hoe het dagelijks leven van de mensen voor wie je het doet daadwerkelijk vorm krijgt: in verwevenheid van menselijke én meer‑dan‑menselijke werelden.
Die verwevenheid raakt de kern van veranderen in deze tijd. En toch blijft ze in traditionele veranderaanpakken opvallend vaak buiten beeld. Wat als we dit meer‑dan‑menselijke perspectief op veranderen serieus nemen? Een perspectief waarbij niet‑mensen worden erkend als volwaardige medespelers. Kunnen we dan ook de centrale positie van de mens in het veranderkundige ‘spel’ heroverwegen?
Een wereld die niet langer op de achtergrond blijft
In het modern‑westerse denken is lang uitgegaan van een scheiding tussen mens en natuur: de natuur als lijdelijke achtergrond, een decor dat kan worden gemanipuleerd voor menselijke doeleinden. In het Antropoceen houdt deze conceptualisering echter geen stand meer. Ecologische verstoringen zoals klimaatverandering, ecologische instorting, hittestress, zeespiegelstijging en extreem weer laten zien dat de natuurlijke wereld geen passief decor is, maar een actief handelend vermogen heeft. Wat tot achtergrond was verklaard, betreedt steeds vaker nadrukkelijk het toneel.
De ontkenning van zowel het handelingsvermogen van de meer‑dan‑menselijke wereld als van onze wederkerige relatie ermee heeft een verregaande kolonisatie van de natuur mogelijk gemaakt. In dat proces wordt de ecologische intimiteit tussen mens en niet‑mens met geweld onderdrukt – en dat heeft zelf gewelddadige gevolgen. Zowel de natuurlijke als de menselijke wereld lijdt onder de steeds weer mislukte pogingen om de meer‑dan‑menselijke wereld te overmeesteren. Het resultaat is een geschiedenis van vervreemding, waarin mensen en dingen, planten en dieren gedwongen zijn op zichzelf te staan, alsof de verstrengelingen die leven mogelijk maken er niet toe doen. Paradoxaal genoeg maakt juist de ontkenning van dit precaire samenleven in een web van afhankelijkheden het bestaan alleen maar kwetsbaarder.
Meer‑dan‑menselijk samenleven vraagt voortdurend om afstemming: balanceren tussen totale vermijding van dingen en het nemen van een overdosis. Maar waarom vinden mensen die voortdurende afstemming zo bedreigend? Filosoof Timothy Morton biedt een aanwijzing: omdat dit zich niet laat beheersen. We bevinden ons altijd in de positie van gastheer, wat het ongemak oproept van verwelkoming: wie of wat verschijnt er in de deuropening? Morton wijst erop dat het woord host — gastheer — afkomstig is van het Latijnse hostis, dat zowel vriend als vijand kan betekenen. We zijn letterlijk gastheer voor talloze wezens die in een oogwenk kunnen omslaan van bondgenoot in bedreiging. Symbiose, het met elkaar in contact staan van wezens, bestaat uit een veelheid aan ongemakkelijke verhoudingen waarin niets naadloos op elkaar aansluit. Leven is dus geen kwestie van totale controle, maar van voortdurende onderhandeling met de wereld die ons mede vormt.
Wat moet de veranderkundige met dit inzicht? Het vraagt om een verruiming van de vraag wie of wat we als ‘medespeler’ in veranderingsprocessen beschouwen. Wereldvorming — en dus verandering — is geen exclusief menselijk project. We leven te midden van talloze wereldvormende praktijken van bijvoorbeeld schimmels, planten en niet‑menselijke dieren, die actief de wereld creëren waarin zij leven en daarmee ook de levens van anderen beïnvloeden of veranderen. Veranderaars kunnen zich zelf daarom niet langer zien als externe ontwerpers of regisseurs. Zij opereren – net als de mensen voor wie ze het doen – altijd binnen een web van menselijk en niet‑menselijk handelen.
Afscheid nemen van mentale modellen
Voordat we op basis van deze inzichten suggesties doen voor hoe de veranderkunde zich richting de toekomst kan ontwikkelen, is het noodzakelijk te begrijpen hoe diep de moderne dromen van vooruitgang door beheersing in het westerse denken verankerd zijn. De filosofe Val Plumwood laat zien dat de westerse filosofie vanaf haar oorsprong wordt gekenmerkt door een dualistisch en hiërarchisch denkkader. Klassieke tegenstellingen als mens/dier, man/vrouw, rede/emotie, geest/lichaam en cultuur/natuur worden historisch zo geordend dat de eerste pool als superieur geldt, terwijl de tweede wordt gereduceerd tot iets ondergeschikts of instrumenteels. Dit denken legitimeert een doel‑middelbenadering van ‘de ander’, waarbij wederkerigheid ontbreekt – of dat nu natuur, vrouw of inheemse gemeenschap betreft.
Deze analyse sluit aan bij het werk van Vanessa Machado de Oliveira, die betoogt dat maatschappelijke en ecologische crises niet alleen vragen om nieuwe praktijken, maar ook om een radicaal andere houding ten opzichte van de wereld en ons handelen daarin. Zij stelt dat de modernistische ‘reddersmentaliteit’ – het idee dat de mens de wereld kan en moet redden – zelf onderdeel is van het probleem. In plaats van de wereld te redden, zouden we juist het dualistische en hiërarchische denkkader van de moderne westerse mens en de bijbehorende praktijken moeten ‘hospiceren’: ze waardig begeleiden bij het sterven.
Heroveren van het Antropoceen
Dit pleidooi voor een serieuze verkenning van een meer‑dan‑menselijke veranderkundige aanpak staat op gespannen voet met de dominante tijdgeest. Veel mensen beschouwen het Antropoceen – het tijdperk waarin de mens de planetaire grenzen zo ver overschrijdt dat het als soort een geologische aanduiding heeft verworven – niet als een waarschuwing, maar juist als een aansporing. De heersende overtuiging is dat de mens met behulp van verdere technologische ontwikkeling de natuurlijke wereld uiteindelijk wél onder controle krijgt. Het is de brute houding van technologische versnelling, met het Trump‑ en Musk‑isme als herkenbare vaandeldragers.
Voor wie wél serieus wil nemen dat mens en meer‑dan‑menselijke wereld onlosmakelijk verweven zijn, rijst de urgente vraag hoe we dergelijke toekomstverbeeldingen kunnen uitdagen en heroriënteren. Hoe kunnen we manieren vinden om ecologische intimiteit niet langer te onderdrukken, maar juist actief op te zoeken en te versterken? Juist hier komt Nora – en het meer‑dan‑menselijke web van leven waar zij deel van uitmaakt – opnieuw in beeld. Wanneer we haar benaderen als ecologisch wezen wordt zichtbaar dat het dominante toekomstbeeld van technologische versnelling haar bestaan, en dat van talloze anderen, alleen maar precairder maakt: toenemende hittestress, het ontbreken van gezonde natuur, vervuilende stoffen in haar lichaam, een dreigend tekort aan schoon drinkwater en de groeiende blootstelling aan extreem weer. Wat als we de meer‑dan‑menselijke actoren in haar omgeving niet verder domineren, maar juist erkennen en actief op stem brengen?
Stem geven aan meer‑dan‑menselijke medeveranderaars
Willen we richting de toekomst een veranderkunde ontwikkelen die werkelijk recht doet aan de vraagstukken van deze tijd, dan zullen we een meer‑dan‑menselijke benadering moeten omarmen. In zekere zin vraagt dat geen radicale breuk: we zijn allemaal al symbiotische wezens die zijn verstrengeld met andere symbiotische wezens. Het probleem met ecologisch bewustzijn en ecologisch handelen is niet dat het zo moeilijk is, maar juist dat het te vanzelfsprekend is. Toch kan precies dit inzicht – dat we altijd al verweven waren – een diepgaande verschuiving in het veranderkundige denken en handelen teweegbrengen.
Wat betekent dit voor de veranderaar? In het hoofdstuk dat ik samen met Mark van Twist schreef voor de bundel Veranderen voor de Toekomst onderscheiden we drie ontwikkelingsrichtingen, waarvan ik er hier één wil uitlichten: het expliciteren van meer‑dan‑menselijke belangen. Een meer‑dan‑menselijke veranderkunde helpt niet‑mensen ‘op stem’ te brengen. Dat kan grofweg langs drie sporen: juridisch, representatief en artistiek. In het juridische spoor begeleidt de veranderaar processen waarin de belangen van niet‑mensen formeel worden erkend, bijvoorbeeld via natuurrechten of via het omvormen van een organisatie tot een zoöp — een organisatievorm waarin het leven (zoë) zelf mede beslissingsrecht krijgt. Het representatieve spoor richt zich op creatieve vertaalvormen die de stemmen van niet‑mensen een plek geven in co‑creatie. Waarom zouden wind, water of schimmels geen vertegenwoordiging mogen hebben aan de ontwerptafel? Via menselijke vertegenwoordigers kan hun invloed concreet worden gemaakt. Het artistieke spoor benut tenslotte de verbeeldingskracht van kunst om ontmoetingen te creëren waarin mensen zich kunnen verplaatsen in het perspectief van meer‑dan‑menselijke medeveranderaars.
Dit perspectief op de veranderkunde is nog lang niet uitontwikkeld, en het hoofdstuk is een uitnodiging aan alle veranderaars om samen verder te bouwen aan de ontwikkeling van het vak. In een tijd waarin ecologische destructie steeds sterker ingrijpt op de kwaliteit van ons bestaan, betekent aan onszelf denken: denken aan onze verwevenheid met de meer‑dan‑menselijke wereld.
Door: Robin Hill. Hij is mede-auteur van het nieuwe boek Veranderen voor de Toekomst, een initiatief van Jaap Boonstra en Marjo Dubbeldam. In dit boek delen dertig experts delen hun inzichten, verhalen en ervaringen over hoe verandering onze wereld vormgeeft.










