Provocatieve therapie wordt vaak onterecht gezien als een vorm van ‘afzeiktherapie’, waarbij de cliënt belachelijk wordt gemaakt. In werkelijkheid draait deze benadering om humor, uitdaging en – boven alles – een sterk therapeutisch contact. Door speelse provocaties helpt de therapeut de cliënt om veerkracht te tonen en zichzelf met meer zelfrelativering te zien. Hoe werkt dit precies, en waarom is een goede band met de cliënt hierbij essentieel?
Misverstand 1: afzeiktherapie
Er wordt weleens beweerd dat provocatieve therapie het beste gekarakteriseerd kan worden als afzeiktherapie. Waar dat idee vandaan komt of waarom het nog steeds door mensen wordt aangehangen, weet ik niet. Maar het heeft wellicht te maken met de plagerijen die de provocatieve therapeut als interventies kan inzetten. Zo kan de provocatieve hulpverlener het nodig vinden om net te doen alsof hij het probleem van de cliënt niet snapt, of het probleem zo uitvergroten dat het absurde proporties aanneemt. En wie deze interacties, zonder de warmte van het contact, op papier leest, zou dan de indruk kunnen krijgen dat de provocatieve therapeut niets anders doet dan afzeiken. In die zin begrijp ik wel hoe deze misvatting de wereld in is gekomen.
Hopelijk kan ik deze misvatting bij dezen, eens en voor altijd, naar het rijk der fabelen verwijzen. Feit is namelijk dat de provocatieve therapeut, net als elke hulpverlener, zijn interventies pleegt om de cliënt sterker te maken. En zeker de beginnende therapeuten in de provocatieve stijl zullen, telkens weer, gebruikmaken van het kader. Dat kader wordt aan de cliënt gegeven en luidt als volgt: ‘Ik wil toestemming van jou om provocatief te werken. Dat zal inhouden dat ik je plaag en uitdaag, alsook dat je je daar wellicht een beetje ongemakkelijk bij voelt. Maar weet dat ik, als jouw therapeut, dit alleen doe om je sterker te maken. Ga je daarmee akkoord?’
Voor de volledigheid: zelden is het antwoord ‘nee’. Overigens zijn er ook nog talloze andere manieren om het kader aan te reiken. Mijn collega uit Wales Phil Jeremiah maakt gebruik van de ‘bubbel’ en zijn tekst gaat als volgt: ‘Straks gaan we samen in de provocatieve bubbel en in die bubbel zullen rare dingen gebeuren. Na een tijdje gaan we weer uit die bubbel en gaan we napraten over wat er nou precies in die bubbel is voorgevallen. Krijg ik jouw toestemming om samen in de provocatieve bubbel te stappen?’ Ook dan is het antwoord zelden ‘nee’.
Verder helpen als iets dwarszit
Dit kader wordt aangereikt met de expliciete bedoeling om de cliënt duidelijk te maken dat er niets van afzeiken zal plaatsvinden, maar dat alle interventies bedoeld zijn om hem verder te helpen in wat hem dwarszit. Nu is de provocatieve stijl niet van het zachtste soort; deze gaat uit van het principe dat mensen veel meer kunnen hebben dan ze zelf vaak denken. In de praktijk blijkt dit ook telkens weer, en kunnen cliënten er echt van genieten dat zij zoveel veerkracht tonen in het contact.
Toch zal ik, eerlijkheidshalve, moeten melden dat in enkele gevallen de cliënt niet erg gecharmeerd is van die plagerige stijl. Onlangs nog zei een cliënt na de eerste intake: ‘Zoals jij tegen mij praat, daar houd ik niet van.’ Ik heb nog wat uitleg gegeven over het hoe en waarom (het kader), maar het mocht niet baten. We hebben met wederzijds goedvinden de therapie beëindigd.
Een variant op het kader is er een die altijd wel aardig uitpakt: ‘Ik heb twee soorten therapie, de een is voor mensen die ervan houden om in een warm bad van positiviteit gelegd te worden, de andere vorm van therapie is voor mensen die wel tegen een stootje kunnen. Welke vorm kies jij?’ De meeste mensen gaan voor de provocatieve stijl. Opvallend is ook dat in dit tijdgewricht de meeste mensen wel aardig op de hoogte zijn van allerlei vormen van therapie.
Voordat ik ook maar ergens over begin, zeggen ze tegen mij: ‘Ik houd er niet zo van als de therapeut alleen maar luistert en zich meegaand opstelt of zich verschuilt achter veel geknik en gehum, en ik heb gehoord van mijn huisarts dat u dat heel anders doet, klopt dat?’ Voor mij wordt het dan natuurlijk alleen maar een stuk gemakkelijker om de provocatieve benadering vol in te zetten. Maar goed, ook al zou de cliënt zijn toestemming geven of zelfs hopen op een stevige aanpak, dan nog kan het gebeuren dat de volumeknop van de provocatieve stijl net wat te hard aanstaat. In dat geval neem ik altijd wat gas terug, en dan vooral om het goede contact met de cliënt overeind te houden.
Provocatieve stijl: humor, uitdaging en goed contact
Zo zal het inmiddels duidelijk zijn dat van de drie ingrediënten die de provocatieve stijl bevat, namelijk humor, uitdaging en goed contact, het goede contact op nummer één staat. Nu zou je natuurlijk ook kunnen zeggen dat, ondanks alle voorzorgsmaatregelen, de cliënt alsnog de beleving kan hebben dat hij in de zeik gezet wordt. Maar niet zelden gebeurt dat op een manier die het effect heeft dat de cliënt dan ook ontzettend om zichzelf moet lachen. En wie dat kan, heeft sowieso enorme progressie gemaakt. Want laat ik duidelijk zijn: wie het vermogen niet heeft om zichzelf en zijn gedrag in al zijn absurditeit te zien, zal minder in staat zijn om ook de hardheid van het leven aan te kunnen.
Zelfrelativering is daarmee een belangrijk vermogen om het ook met anderen goed te kunnen vinden. Zo zei ik onlangs tegen een vrouw op leeftijd die alsnog aan een loopbaan als docente begon en ertegen opzag om haar eerste les te geven: ‘Tja, misschien blijkt wel meteen dat je totaal ongeschikt bent als docent.’ Zij moest enorm lachen en zei: ‘Dat heb ik ook al meerdere keren gedacht. En in dat geval heb ik ook bedacht dat het dan alleen maar beter kan worden.’
Door: Jeffrey Wijnberg
Bron: De essenties van provocatieve therapie – Ik lach je niet uit, ik lach je toe